ECLI:NL:RBDHA:2024:6272
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring
Verzoeker, een Poolse staatsburger die sinds 2019 in Nederland verblijft, is onherroepelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen en een ISD-maatregel wegens diverse diefstallen en huisvredebreuk. De staatssecretaris beëindigde zijn EU-verblijfsrecht, gelastte zijn onmiddellijke vertrek en verklaarde hem ongewenst vanwege zijn actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde.
Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen, stellende dat hij hierdoor strafbaar wordt en zijn ISD-traject wordt gefrustreerd. Tijdens de zitting op 18 april 2024 werd dit verzoek behandeld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet tot rechtmatig verblijf kan leiden en dat er geen onverwijlde spoed is, mede omdat verzoeker reeds in detentie verblijft en er geen concrete uitzettingsdatum is vastgesteld. Tevens is het besluit niet evident onrechtmatig; de staatssecretaris heeft de belangen zorgvuldig afgewogen en de ongewenstverklaring is niet betwist.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht en ongewenstverklaring ongewijzigd blijft. Verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van het EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring is afgewezen.