ECLI:NL:RVS:2012:BV6287
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en rechtmatig verblijf
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de maatregel van vreemdelingenbewaring tegen de vreemdeling had opgeheven en schadevergoeding had toegekend.
De rechtbank had geoordeeld dat door een voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring waren geschorst, waardoor de vreemdeling rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister betwistte dit en stelde dat de schorsing van rechtsgevolgen niet betekent dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling rechtmatig verblijf had vanaf 26 oktober 2011. De schorsing van het besluit tot ongewenstverklaring leidt niet tot rechtmatig verblijf, omdat de ongewenstverklaring blijft voortduren. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De Afdeling benadrukt dat de vreemdeling vanwege zijn ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang deze voortduurt, en dat de maatregel van bewaring op grond van de bewezen feiten gerechtvaardigd is. De minister had het hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 4 november 2011 van de rechtbank 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.