ECLI:NL:RBDHA:2024:6277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
23/5459
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 lid 1 aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994Art. 14 lid 1 aanhef en onder b Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer bij snelheidsovertreding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om hem een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen vanwege een snelheidsovertreding van 161 km/u op een weg met een maximumsnelheid van 100 km/u.

Eiser erkent de overtreding niet te hebben betwist, maar voert persoonlijke omstandigheden aan, zoals zijn lange rijervaring, financiële situatie door corona en de kosten en inkomstenverlies door de cursus. De rechtbank overweegt dat het dwingendrechtelijke karakter van de regelgeving geen ruimte laat voor belangenafwegingen op grond van persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank concludeert dat de opgelegde EMG terecht is en dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende uitzonderlijk zijn om hiervan af te wijken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5459

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2024 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder
(gemachtigde: drs. M.M. van Dongen).

Inleiding

1. Met het besluit van 12 juni 2023 heeft verweerder eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 10 juli 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 6 juni 2023 heeft verweerder een mededeling ontvangen van de politie. [1] Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser als bestuurder van een auto een snelheidsovertreding heeft begaan. De gecorrigeerde snelheid bedroeg 161 kilometer per uur op een weg waar maximaal 100 kilometer per uur is toegestaan. Verweerder heeft eiser daarop verplicht om mee te werken aan een EMG. Werkt eiser niet mee aan deze cursus dan raakt hij zijn rijbewijs kwijt en mag hij niet meer rijden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft niet weersproken dat hij een snelheidsovertreding heeft begaan. Wel heeft hij naar voren gebracht dat hij in de veronderstelling was dat op dat tijdstip de snelheidslimiet 130 kilometer per uur was. Eiser voert verschillende persoonlijke omstandigheden aan op grond waarvan hij vindt dat verweerder had moeten afzien van een EMG. Hij heeft al 23 jaar zijn rijbewijs en deze is nooit eerder ingevorderd. Hij rijdt voor zijn werk al jarenlang ruim 1.000 kilometer per week. Verder vindt hij de kosten voor het volgen van de EMG erg hoog. Eind 2019 is hij een onderneming gestart en deze kwam door corona direct in zwaar weer. De onderneming is daar financieel nog van aan het herstellen. Bovendien loopt eiser door de cursusdagen inkomsten mis. Verder krijgt hij naar verwachting ook nog een boete voor de snelheidsovertreding en is hij na de overtreding zeven werkdagen zijn rijbewijs kwijt geweest. Dat is op zichzelf al een forse straf.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht een EMG opgelegd en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5. Niet in geschil is dat eiser de toegestane maximumsnelheid met meer dan 60 km/uur heeft overschreden. Dat eiser in de veronderstelling was dat op dat tijdstip de snelheidslimiet 130 km/uur was, doet aan die overtreding niet af. Verweerder was daarom verplicht om een EMG op te leggen. [2]
6. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat het dwingendrechtelijke karakter van artikel 14 van Pro de Regeling geen ruimte biedt voor een belangenafweging. Uit vaste rechtspraak [3] volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Voor matiging van de kosten geldt dit eveneens. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. [4]
7. Het is niet gebleken dat in het geval van eiser sprake is van een dergelijk zeer uitzonderlijk geval. Dat het rijbewijs van eiser niet eerder ingevorderd is geweest is niet zo een omstandigheid. Het feit dat eiser voor de cursus vrij moet nemen en daardoor inkomsten misloopt en de kosten voor de cursus erg hoog zijn, zal weliswaar een zekere impact op hem hebben, maar deze omstandigheden zijn eveneens onvoldoende uitzonderlijk om de regelgeving buiten toepassing te laten. Het opleggen van een cursus over verantwoord rijgedrag is ter bevordering van de verkeersveiligheid. De verplichting tot het betalen van de kosten van deze maatregel is, anders dan een strafrechtelijke boete, niet bestraffend van aard. De opleggings- en uitvoeringskosten moeten namelijk worden voldaan voor het volgen van de cursus en niet vanwege het begaan van de snelheidsovertreding. Uit vaste rechtspraak volgt ook dat de kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag en de duur van de cursus niet onredelijk worden geacht. [5]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 130 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
2.Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924.
4.Uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1877, en van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:415.
5.Uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1877.