Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Eiser
Svb
Rechtbank Den Haag
Eiser vroeg een ouderdomspensioen aan dat aanvankelijk werd toegekend met een korting van 14% vanwege twee redenen: een periode van verblijf en werk in Zwitserland (2%) en schuldige nalatigheid bij het niet betalen van premies over de jaren 2004 tot en met 2009 (12%). Eiser betwistte deze korting en voerde aan dat hij in Zwitserland deels in Nederland verzekerd was en dat hij de beschikkingen over schuldige nalatigheid niet had ontvangen en geen schulden had.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Zwitserland voor de AOW verzekerd was. De verklaring van de Zwitserse autoriteiten toonde aan dat hij daar verzekerd was. Ook was geen bewijs van een regeling die sociale lasten over Nederland en Zwitserland verdeelde. De korting van 2% werd daarom terecht toegepast.
Ten aanzien van de schuldige nalatigheid oordeelde de rechtbank dat de beschikkingen rechtsgeldig waren bekendgemaakt door verzending naar het laatst bekende adres, ongeacht ontvangst door eiser. Eiser droeg zelf het risico van niet-ontvangst. De korting van 12% over de zes jaren was daarmee terecht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter D.R. van der Meer op 1 mei 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de korting van 14% op het bruto-ouderdomspensioen.