Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 26 januari 2022, waarna verweerder de beslistermijn van zes maanden overschreed. Eiser stelde verweerder op 26 augustus 2023 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk gegrond omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn had beslist.
De rechtbank gaf geen zitting, omdat dat niet nodig was, en bepaalde een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is korter dan het gebruikelijke 8+8 wekenmodel vanwege de reeds verstreken beslistermijn van 21 maanden. Tevens legde de rechtbank een dwangsom van €100,- per dag op, met een maximum van €7.500,-, voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt.
Verweerder diende geen verweerschrift in. De rechtbank wees op recente jurisprudentie die bevestigt dat dwangsommen ook in asielzaken kunnen worden opgelegd ondanks een tijdelijke wetswijziging. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50, vanwege het inschakelen van juridische hulp en de aard van de procedure.
De uitspraak is bindend en er staat geen hoger beroep of verzet open. Partijen is wel de mogelijkheid geboden om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen indien zij het niet eens zijn met de uitspraak en een zitting wensen.