Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris op zijn asielaanvraag van 30 september 2022. De staatssecretaris had op grond van de Vreemdelingenwet een beslistermijn van zes maanden, verlengd met negen maanden wegens een groot aantal aanvragen. De wettelijke beslistermijn verstreek op 30 december 2023.
De rechtbank stelde vast dat eiser de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke had gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken waren verstreken, waardoor het beroep gegrond werd verklaard. De rechtbank paste het 8+8-wekenmodel toe, waarbij vanwege het reeds gehouden nader gehoor de beslistermijn op acht weken werd gesteld.
De staatssecretaris werd opgedragen binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag overschrijding werd een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €7.500. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50.