Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
De staatssecretaris onderzoekt met het oog op uitzetting mobiele telefoons van in bewaring gestelde vreemdelingen om informatie te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit. Dit sluit aan bij het vereiste onder e van artikel 6, eerste lid, van de AVG: de mobiele telefoon wordt onderzocht bij de uitoefening van een taak van algemeen belang of van openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. De staatssecretaris is gehouden uitvoering te geven aan de Terugkeerrichtlijn. De vraag is of artikel 59, achtste lid, van de Vw 2000 als grondslag voor de gegevensverwerking die het zonder toestemming onderzoeken van telefoons meebrengt, ook voldoende duidelijk en nauwkeurig is, en de toepassing daarvan voldoende voorspelbaar.
De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd de in bewaring gestelde persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken, voor zover dit noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit, nationaliteit en de verblijfsrechtelijke positie van de betreffende vreemdeling.”
Ter ondersteuning van het onderzoek of een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 kan Pro worden ingewilligd, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd om een vreemdeling staande te houden en aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Gelijke bevoegdheid bestaat indien de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag te willen indienen.”
De rechtbank concludeert dat om uitspraak te kunnen doen in de onderhavige procedure allereerst moet worden nagegaan wanneer het terugkeerbesluit is uitgereikt. Alleen als dat is beoordeeld, kan de rechtbank vaststellen of het beroep tijdig is ingesteld. Of het beroep tijdig is ingesteld is een geschilpunt tussen partijen en de eerste vraag die de rechtbank moet beoordelen. De rechtbank dient bovendien de ontvankelijkheid van het beroep op grond van het nationale bestuursrecht ambtshalve te beoordelen en de rechtbank acht zich verplicht de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, indien dit de grondslag van een voortdurende bewaringsmaatregel is, op grond van het Unierecht ambtshalve te beoordelen.
De rechtbank kan evenwel geen andere uitspraak doen dan wederom vast te stellen dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn bewijslast dat het terugkeerbesluit dat is genomen op 6 mei 2023 rechtsgeldig is uitgereikt. De rechtbank kan dan ook niet voldoen aan de opdracht van de Afdeling voor zover daarmee is beoogd dat de rechtbank dit geschilpunt niet mag beslechten of voor zover daarmee is beoogd dat de rechtbank tot een andere inhoudelijke uitspraak moet komen. De rechtbank kan beide opdrachten, indien deze zo moeten worden verstaan, gewoonweg niet volgen en dus ook niet motiveren.
De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de verplichting om de uitreiking van het terugkeerbesluit ambtshalve te toetsen volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858. De nu voorliggende zaak is namelijk geen procedure over de rechtmatigheid van een bewaringsmaatregel. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.