Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:708

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
23 januari 2024
Zaaknummer
NL23.39300
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 VbArt. 5.1a VbArt. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure en afwijzing schadevergoeding

Eiseres, van Salvadoraanse nationaliteit, vroeg asiel aan op Schiphol en werd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Zij stelde beroep in tegen deze maatregel en tevens tegen een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanwijzing niet-ontvankelijk omdat deze niet binnen haar bevoegdheid viel en verwees naar de mogelijkheid van administratief beroep.

De rechtbank oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was opgelegd. Eiseres had onvoldoende onderbouwd dat zij kwetsbaar was of dat een lichter middel passend was. Het grensbewakingsbelang rechtvaardigde de maatregel, mede omdat minder dwingende maatregelen toegang tot Nederland zouden kunnen verschaffen. De rechtbank stelde vast dat verweerder de asielaanvraag binnen de toegestane termijn had beoordeeld en de maatregel tijdig had opgeheven.

Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen onrechtmatigheid in de tenuitvoerlegging van de maatregel was vastgesteld. De rechtbank wees het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel af en verklaarde het beroep tegen de aanwijzing niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing is niet-ontvankelijk, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39300

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2023 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 december 2023 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Op 16 december 2023 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend. Op 22 december 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 28 december 2023.

Het oordeel van de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?
1. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien de maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing ervan, aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. De rechtbank is van oordeel dat de aan eiseres opgelegde vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en verweerder geen schadevergoeding aan eiseres hoeft te betalen. De rechtbank legt hieronder, aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Welke feiten en omstandigheden betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
4. Eiseres stelt de Salvadoraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1965. Zij stelt op 3 december 2023 via Panama naar Schiphol te zijn gevlogen. Op 6 december 2023 is eiseres aangekomen op Schiphol. Hier heeft zij asiel aangevraagd. Eiseres is eerst naar de lounge van Schiphol verwezen met een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Aan eiseres is vervolgens de volgende dag de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw opgelegd.
5. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb
6. De rechtbank stelt vast dat voor zover eiseres heeft bedoeld beroep in te stellen tegen de aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb, dit beroep niet-ontvankelijk is. De aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb ligt daarom niet bij de rechtbank ter beoordeling voor. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 september 2023 [1] . Hieruit volgt dat de rechter die over de vrijheidsontnemende maatregel oordeelt, in beginsel niet in de rechtmatigheid van een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb treedt omdat tegen een dergelijke aanwijzing administratief beroep openstaat. Dit is alleen anders als de aanwijzing van artikel 4.6 van het Vb feitelijk toch neerkomt of is neergekomen op vrijheidsontneming als die aanwijzing door toedoen van de overheid onredelijk lang heeft voortgeduurd. Dat is hier niet het geval omdat eiseres niet langer dan één nacht in de lounge heeft verbleven. De enkele stelling van eiseres dat de door haar gestelde gebreken in de aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb doorwerken in de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw, is onvoldoende om het beroep ontvankelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder aanleiding moeten zien om een lichter middel toe te passen?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Zoals verweerder terecht stelt, is aan eiseres voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel gevraagd naar haar medische omstandigheden. Eiseres heeft toen verklaard dat er geen bijzonderheden waren. Niet is gebleken dat eiseres detentieongeschikt is. Verweerder heeft daarbij in de maatregel overwogen dat op het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn. De rechtbank volgt verweerder in het oordeel dat eiseres haar stelling dat zij kwetsbaar is, niet heeft onderbouwd. Daar komt bij dat het grensbewakingsbelang niet kan worden veiliggesteld door het opleggen van een minder dwingende maatregel. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 22 mei 2012 [2] vergt het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Dat eiseres een dochter in Nederland zou hebben waar zij mogelijk kan verblijven, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Leende de asielaanvraag van eiseres zich nog langer voor afdoening in de grensprocedure?
8. Zoals verweerder terecht stelt, volgt uit vaste jurisprudentie dat verweerder de tijd moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid van afdoening in de grensprocedure. De vreemdeling dient in ieder geval gehoord te worden over zijn asielverzoek. [3] Of verweerder die beoordeling voldoende voortvarend ter hand neemt, kan slechts terughoudend worden getoetst in deze procedure. Slechts wanneer evident is dat de aanvraag niet meer in de grensprocedure kan worden afgedaan, kan hieraan in deze procedure een conclusie over de vrijheidsontnemende maatregel worden verbonden. Voor asielgerelateerde gronden is in deze procedure daarom geen ruimte. In dit geval is eiseres op 17 december 2023 gehoord, waarna de vrijheidsontnemende maatregel op 19 december 2023 is opgeheven door verweerder met als motivering dat de aanvraag zich niet leent voor de grensprocedure. Dat is binnen de 48 uur die verweerder mag gebruiken om het gehoor te bestuderen. Dit geeft naar het oordeel van de rechtbank blijk van een voortdurende afweging van de vraag of de asielaanvraag nog in de grensprocedure kon worden afgedaan. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de vrijheidsontnemende maatregel om een andere reden onrechtmatig?
9. De rechtbank is ook ambtshalve niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig aan eiseres was opgelegd.
Wat is de conclusie?
10. Het beroep voor zover deze is gericht tegen de aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb is niet-ontvankelijk. Het beroep dat is gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. van der Gouw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld r.o. 8.1 van de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.