ECLI:NL:RBDHA:2024:7136
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Bulgarije
Verzoeker, een Syrische asielzoeker, heeft bezwaar gemaakt tegen zijn overdracht aan Bulgarije op grond van de Dublinverordening. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de overdracht tijdens de bezwaarprocedure zou verbieden. Verzoeker stelde dat de overdracht ernstige negatieve gevolgen zou hebben voor zijn psychische gezondheid en dat hij afhankelijk is van de steun van zijn in Nederland verblijvende broers.
De staatssecretaris voerde aan dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat de overdracht vrijwillig wordt gefaciliteerd en verzoeker kan reizen op basis van een ‘fit to fly’ verklaring. Verder is uit het medisch dossier gebleken dat cardiale klachten zijn uitgesloten en is onvoldoende onderbouwing geleverd voor de psychische risico’s en afhankelijkheid.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aangekondigde overdracht geen gedwongen overbrenging betreft en dat de toekomstige mogelijkheid van gedwongen overdracht onvoldoende concreet is om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Bulgarije is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.