Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 16 oktober 2022, waarna verweerder de beslistermijn verlengde met negen maanden. Eiser stelde verweerder op 28 februari 2024 in gebreke en diende vervolgens beroep in, maar dit was meer dan twee weken na de ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt een uiterlijke beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met een nader gehoor en zorgvuldige besluitvorming. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van dwangsommen in asielzaken.
Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd zijn bij te late beslissingen op asielaanvragen, oordeelde de ABRvS dat de artikelen uit de Awb betreffende dwangsommen wel van toepassing zijn. Daarom legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €7.500 bij overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €437,50. Het beroep is gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen.