ECLI:NL:RBDHA:2024:7838
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verwijderingsbesluit vanwege onvoldoende belangenafweging en toekenning schadevergoeding
Eiser, een Albanese gemeenschapsonderdaan, werd zijn verblijfsrecht ontnomen nadat zijn relatie met zijn Unieburger-partner was verbroken. De staatssecretaris stelde vast dat zijn verblijfsrecht per 1 mei 2020 was geëindigd en legde een verwijderingsmaatregel op. Eiser voerde beroep aan tegen dit besluit en stelde dat de belangenafweging niet deugdelijk was gemotiveerd, met name dat het belang van zijn jonge zoon onvoldoende was meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit terecht het verblijfsrecht beëindigde, maar dat de staatssecretaris in het bestreden en aanvullende besluit onvoldoende rekening hield met het belang van het kind en de mate van integratie van eiser. Daarnaast was de motivering over de criminele antecedenten en de illegale vestiging onvoldoende. De belangenafweging voldoet daardoor niet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank vernietigt het bestreden en aanvullende besluit en beveelt de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt een schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ruim anderhalf jaar, volledig toe te rekenen aan de staatssecretaris. Proceskosten worden eveneens aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het verwijderingsbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging en de staatssecretaris moet een nieuwe beslissing nemen en een schadevergoeding betalen.