Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 15 juni 2022, waarna verweerder de beslistermijn verlengde met negen maanden onder de WBV 2022/22. Eiser stelde verweerder op 16 januari 2024 schriftelijk in gebreke nadat de verlengde termijn was verstreken, waarna hij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn van 21 maanden, zoals neergelegd in de Procedurerichtlijn, op 15 maart 2024 is overschreden. Hoewel eiser inmiddels een nader en aanvullend gehoor heeft gehad, is verweerder niet tijdig tot besluitvorming gekomen. De rechtbank legt daarom een nadere beslistermijn van acht weken op, korter dan het gebruikelijke 8+8 wekenmodel, vanwege de overschrijding.
Daarnaast wijst de rechtbank op de toepasselijkheid van artikel 8:55d en 8:72 van de Awb, ondanks een tijdelijke wet die dwangsommen voor asielbesluiten uitsluit. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft deze uitsluiting onverbindend verklaard, waardoor verweerder een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij niet-naleving, met een maximum van €7.500.
Tot slot wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50, vanwege de professionele juridische bijstand en het beperkte onderwerp van het beroep. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.