Eiseres stelde beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag uit juli 2020. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna een nieuwe beslissing op bezwaar volgde. Eiseres stelde opnieuw beroep in en verzocht daarnaast om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tijdens de procedure bereikten partijen inhoudelijke overeenstemming, waarna het beroep werd ingetrokken, maar het verzoek om schadevergoeding bleef gehandhaafd.
De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad (2016) en stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden met twintig maanden. De overschrijding werd grotendeels toegerekend aan verweerder, met een klein deel aan de rechtbank. De rechtbank wees een schadevergoeding van € 2.000 toe, waarvan € 1.800 voor rekening van verweerder en € 200 voor rekening van de Staat.
De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden de termijnoverschrijding rechtvaardigden. Hoewel eiseres niet altijd snel reageerde, was dit niet zodanig dat het als bijzondere omstandigheid kon gelden. Ook het uitstel van de hoorzitting was op verzoek van het college en het niet tijdig aanleveren van informatie door de behandelend arts kon eiseres niet worden toegerekend.
De rechtbank veroordeelde verweerder en de Staat tot betaling van respectievelijk € 1.800 en € 200 aan schadevergoeding aan eiseres. Proceskosten werden niet toegewezen omdat partijen hierover een regeling hadden getroffen.