ECLI:NL:RBDHA:2024:8646

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
NL23.27626
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking tijdelijke beschermingsstatus

Eiseres had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG werd beëindigd. Vervolgens trok de staatssecretaris het bestreden besluit in, waarna de rechtbank eiseres verzocht te melden of zij het beroep wilde handhaven.

Eiseres reageerde niet op dit verzoek, waardoor de rechtbank concludeerde dat zij geen belang meer had bij voortzetting van het beroep. De rechtbank besloot het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan procesbelang.

De rechtbank baseerde zich op artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en oordeelde dat de uitkomst op voorhand buiten redelijke twijfel stond. Omdat het beroep bij instellen terecht was, werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres ter hoogte van € 875.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier S.S. van der Velde en is geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27626

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.G. Matze),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 29 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij brief van 27 februari 2024 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit heeft ingetrokken.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Er kan op een beroep worden beslist zonder een zitting te houden als sprake is van een kennelijke uitkomst. Dat betekent dat de uitkomst op voorhand buiten redelijke twijfel staat. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Deze situatie doet zich hier voor gelet op het volgende.
2. Op 27 februari 2024 heeft de rechtbank aan eiseres gevraagd om aan te geven of eiseres haar beroep nog wil handhaven gelet op de intrekking van het bestreden besluit. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen belang meer heeft bij het voortzetten van dit beroep tegen het ingetrokken besluit. [1]
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, volgt dat het beroep op het moment van instellen terecht was. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
  • veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van
€ 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5415.