Eiseres stelde beroep in tegen het besluit van 22 augustus 2023 waarin haar tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG werd beëindigd. Verweerder trok dit besluit bij brief van 1 februari 2024 in. De rechtbank vroeg eiseres of zij het beroep wilde handhaven, maar zij reageerde niet.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen belang meer had bij het voortzetten van het beroep, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank baseerde zich op artikel 8:54, eerste lid, Awb, dat een beslissing zonder zitting toestaat bij een kennelijke uitkomst.
Hoewel het beroep bij indiening terecht was, leidde de intrekking van het besluit tot het ontbreken van belang. Daarom veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier N.A. D’Hoore en is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze beslissing.