Eiser heeft op 15 oktober 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde eiser de staatssecretaris op 16 januari 2024 in gebreke en diende op 2 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig was en meer dan twee weken zijn verstreken sinds ontvangst daarvan. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond en stelt zij dat de staatssecretaris alsnog uiterlijk 9 september 2024 een besluit moet nemen.
De rechtbank wijkt af van het 8+8-wekenmodel en legt een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op €437,50.
De uitspraak is openbaar en bevat verwijzingen naar relevante jurisprudentie en Europese richtlijnen. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.