ECLI:NL:RBDHA:2024:9297
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen en onvoldoende medische onderbouwing
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 16 februari 2024 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, stellende dat zijn medische situatie was verslechterd. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag op 15 april 2024 niet-ontvankelijk omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen had aangevoerd die relevant zijn voor de beoordeling.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag feitelijk is ingediend om recht op opvang en toegang tot medische zorg te verkrijgen, zonder dat de verslechtering van de medische toestand is onderbouwd met documenten. De jurisprudentie, waaronder het arrest M’Bodj van het Hof van Justitie van de EU en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 30 juni 2017, bevestigt dat medische omstandigheden alleen tot bescherming leiden indien sprake is van opzettelijke weigering van medische zorg in het land van herkomst, hetgeen hier niet is gesteld of gebleken.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris niet verplicht was om te wachten op aanvullende medische documenten en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka op 30 mei 2024 en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag.