ECLI:NL:RBDHA:2024:9314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2024
Publicatiedatum
17 juni 2024
Zaaknummer
NL23.39634
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asiel en ongegrondheid beroep terugkeerbesluit na vrijwillig vertrek

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en tegen het besluit van afwijzing van deze aanvraag. De staatssecretaris had op 26 januari 2024 het asielverzoek afgewezen. Vervolgens vertrok eiser vrijwillig naar Rusland, waarbij hij instemde met het beëindigen van openstaande verblijfsprocedures, behalve die tegen het terugkeerbesluit.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat inmiddels een besluit is genomen. Ook het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang door het vrijwillige vertrek. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ontvankelijk, maar ongegrond omdat geen beroepsgronden zijn aangevoerd.

De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 437,50 aan eiser vanwege het terecht instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka en griffier E. Kersten op 17 juni 2024.

Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit en afwijzing asielaanvraag niet-ontvankelijk, beroep tegen terugkeerbesluit ongegrond, proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39634
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

1. Eiser heeft op 19 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 augustus 2022.
1.1.
In het besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Omdat het besluit niet geheel aan het beroep tegemoetkomt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit).¹
1.3.
In de brief van IOM² van 1 mei 2024 staat dat eiser op 24 april 2024 vrijwillig is vertrokken naar Rusland. Uit de bijgevoegde vertrekverklaring van 24 april 2024 blijkt dat eiser ermee heeft ingestemd dat nog openstaande procedures (waaronder niet begrepen: procedures tegen een terugkeerbesluit) voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd.
1.4.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
In het bericht van 2 mei 2024 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.
1. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2 Internationale Organisatie voor Migratie.

Beoordeling door de rechtbank

Over het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris heeft beslist op de asielaanvraag van eiser. Hiermee is het procesbelang komen te vervallen. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Over het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag
3. De rechtbank stelt vast dat eiser naar Rusland is vertrokken. Hiermee is het procesbelang voor wat betreft de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag komen te vervallen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt namelijk dat instemming met intrekking van lopende verblijfsrechtelijke procedures in een vertrekverklaring in beginsel betekent dat de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep³ en de gemachtigde van eiser heeft in het bericht van 2 mei 2024 niet naar voren gebracht dat eiser desondanks nog een belang heeft. Het beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag is daarom niet-ontvankelijk.

Over het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit

4. De rechtbank oordeelt dat eiser ten aanzien van het terugkeerbesluit wel procesbelang heeft. In de vertrekverklaring staat namelijk expliciet vermeld dat procedures tegen het terugkeerbesluit met deze verklaring niet worden beëindigd. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit is dus ontvankelijk.⁴ De rechtbank stelt echter vervolgens vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen het terugkeerbesluit. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit is daarom ongegrond.

Over de proceskostenvergoeding

5. Omdat eiser wel terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, krijgt hij wel een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2058.
4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4014.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, ongegrond;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 mei 2024

Documentcode: [documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.