ECLI:NL:RBDHA:2024:9875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2024
Publicatiedatum
25 juni 2024
Zaaknummer
NL24.22938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 59b VwArt. 6:19 AwbArt. 5.1b lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De zaak betreft een beroep van een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel werd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde dat de maatregel niet tijdig was omgezet na intrekking van zijn asielverzoek, maar de rechtbank oordeelde dat de omzetting binnen 48 uur had plaatsgevonden, wat voldoende voortvarend handelen betekent.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou bemoeilijken, feitelijk juist en voldoende waren. Eiser betwistte deze gronden niet. De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 17 juni 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22938

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2001.
Grondslagwijziging
2. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat de maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser op 10 juni 2024 om 9:45 uur een vertrekgesprek heeft gehad waarin hij zijn asielverzoek heeft ingetrokken. Vervolgens is de maatregel pas op 11 juni 2024 om 15:25 uur omgezet van artikel 59b, van de Vw naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3. Uit vaste rechtspraak [2] van de Afdeling [3] volgt dat verweerder in de situatie dat de bewaring niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust, voldoende voortvarend handelt indien de maatregel van bewaring binnen 48 uur is omgezet naar een andere grondslag. Uit het dossier blijkt dat eiser op 10 juni 2024 om 9:45 uur een vertrekgesprek heeft gehad waarin hij zijn asielverzoek van 29 mei 2024 heeft ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder de volgende dag, 11 juni 2024 om 15:25 uur, de bewaringsmaatregel tijdig, want binnen 48 uur, omgezet. Verweerder heeft dan ook voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet. Daarbij merkt de rechtbank voorts nog op dat zij de maatregel op basis van de gewijzigde grondslag met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht betrekt bij het onderhavige beroep. [4]
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [5] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [6] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden 3a, 3b, 3c en 3i zijn feitelijk juist en reeds voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets [7]
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082 en 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 9 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6972.
5.Artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Artikel 5.1b, eerste en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.