ECLI:NL:RBDHA:2024:9986
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel vreemdelingenbewaring
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 3 april 2024 aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De rechtbank heeft eerder op 19 april 2024 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was, zodat bij de beoordeling van het voortduren alleen de periode na 12 april 2024 relevant is. Eiser stelde dat de voortzetting onrechtmatig is omdat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege een negatief resultaat van een identiteitsonderzoek door Nigeriaanse autoriteiten en het ontbreken van recente vertrekgesprekken.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld door meerdere appelleringen op de lp-aanvraag en vertrekgesprekken te voeren. De rechtbank acht het standpunt van de staatssecretaris dat ondanks het negatieve identiteitsresultaat zicht op uitzetting blijft bestaan, gegrond. Daarnaast heeft eiser onvoldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting, terwijl de Nigeriaanse autoriteiten wel medewerking verlenen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.