ECLI:NL:RBDHA:2025:10012
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Poolse nationaliteit, werd in bewaring gesteld met het oog op zijn uitzetting naar Polen. Eiser stelde dat zijn recht op aanwezigheid bij de zitting werd geschonden omdat hij op de dag van de zitting zou worden uitgezet. De rechtbank oordeelde dat het aanwezigheidsrecht niet absoluut is en dat de belangen van een tijdige uitzetting zwaarder wegen dan het belang van eiser om bij de zitting aanwezig te zijn.
Verder stelde eiser dat hij een onvolledig dossier had ontvangen en dat de minister tekort was geschoten in de informatieplicht over het instellen van beroep. De rechtbank volgde deze stellingen niet, omdat het dossier voldoende was en de informatie over rechtsmiddelen adequaat was verstrekt. De rechtbank bevestigde dat de maatregel van bewaring terecht was gebaseerd op het feit dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat hij zich aan het toezicht had onttrokken door niet te vertrekken en het verwijderingsbesluit niet in ontvangst te nemen.
De rechtbank concludeerde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van de vertrekplicht, de maatregel rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.