ECLI:NL:RBDHA:2025:10012

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Poolse nationaliteit, werd in bewaring gesteld met het oog op zijn uitzetting naar Polen. Eiser stelde dat zijn recht op aanwezigheid bij de zitting werd geschonden omdat hij op de dag van de zitting zou worden uitgezet. De rechtbank oordeelde dat het aanwezigheidsrecht niet absoluut is en dat de belangen van een tijdige uitzetting zwaarder wegen dan het belang van eiser om bij de zitting aanwezig te zijn.

Verder stelde eiser dat hij een onvolledig dossier had ontvangen en dat de minister tekort was geschoten in de informatieplicht over het instellen van beroep. De rechtbank volgde deze stellingen niet, omdat het dossier voldoende was en de informatie over rechtsmiddelen adequaat was verstrekt. De rechtbank bevestigde dat de maatregel van bewaring terecht was gebaseerd op het feit dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat hij zich aan het toezicht had onttrokken door niet te vertrekken en het verwijderingsbesluit niet in ontvangst te nemen.

De rechtbank concludeerde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van de vertrekplicht, de maatregel rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23534

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1989.
2. Namens eiser is ter zitting allereerst aangevoerd dat het recht van eiser om aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling van het beroep is geschonden doordat eiser op de dag van de zitting wordt uitgezet naar Polen. Eisers gemachtigde verwijst hierbij naar een uitspraak van de zittingsplaats Utrecht van deze rechtbank van 28 juni 2024. [1] Het door eiser ingeroepen aanwezigheidsrecht is echter niet absoluut. De bewaring van eiser vindt plaats met het oog op zijn uitzetting. Afhankelijk van de wijze waarop een vreemdeling wordt uitgezet vergt dit de nodige voorbereiding. Uit de aanbiedingsbrief van DT&V [2] op 28 mei jl. de vluchtgegevens voor de uitzetting op 4 juni heeft ontvangen, dat eiser vergezeld van escorts zal worden uitgezet en dat daarnaast op 30 mei jl. vervoer op maat naar Schiphol is aangevraagd. De rechtbank heeft partijen op 30 mei jl. op de hoogte gesteld van de mondelinge behandeling. De minister heeft daar vooraf geen rekening mee kunnen houden. Wanneer desondanks de uitzetting van eiser omwille van diens aanwezigheid op de zitting zou moeten worden uitgesteld dan zou dat, gelet op de benodigde voorbereiding betekenen dat eiser beduidend langere tijd in bewaring zou doorbrengen, terwijl het uitgangspunt juist is dat bewaring met het oog op uitzetting niet langer duurt dan noodzakelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mogelijkheid van opheffing van de maatregel voor eisers uitzetting zwaarder weegt dan het belang van eiser om bij de mondelinge behandeling van het beroep tegen de maatregel aanwezig te zijn. De beroepsgrond faalt.
3. Bij beschikking van 1 juli 2024 is vastgesteld dat eisers rechtmatig verblijf als EU-burger in Nederland is geëindigd en is eiser opgedragen om naar Polen terug te keren. Vaststaat dat eiser niet is teruggekeerd en zijn verblijf in Nederland niet effectief heeft beëindigd. De maatregel is dan ook terecht gebaseerd op de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, zoals is vereist in artikel 59, eerde lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij is geschaad in zijn verdedigingsbelang doordat hem een onvolledig dossier is verstrekt. Voor zover eiser wijst op het ontbreken van een verslag van het gehoor op 16 mei 2024 heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit stuk, dat is op gesteld ter voorbereiding van de verwijderingsbeschikking van 1 juli 2024, van betekenis is voor de beoordeling van het onderhavige beroep.
5. Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn conclusie dat de maatregel onrechtmatig moet worden geacht omdat verweerder tekort zou zijn geschoten in de (bij artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000) voorgeschreven informatieplicht over de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de maatregel. In rechtsmiddeleninformatie onderaan het bestreden besluit wordt namelijk gewezen op de mogelijkheid om zowel met behulp van een advocaat als zonder advocaat beroep in te stellen. Van verwarrende en daardoor ontoereikende informatie is in zoverre dan ook geen sprake. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Zwolle van deze rechtbank van 18 februari 2025 [3] gaat daarom niet op.
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser bestrijdt dat deze gronden in zijn geval aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd. Namens hem is daarbij ten onrechte aangevoerd dat verweerders besluit van 1 juli 2024 geen grondslag oplevert voor de bewaring. De rechtmatigheid van dit besluit staat immers niet ter beoordeling van de bewaringsrechter. Bij de beoordeling van de maatregel moet worden uitgegaan van dit in rechte vaststaande besluit, waaruit een vertrekplicht volgt. Nu verder niet wordt bestreden dat eiser nadien niet is vertrokken uit Nederland, is de zware grond 3c terecht aan eiser tegengeworpen. Daarnaast is namens eiser niet bestreden dat, zoals in het bestreden besluit is overwogen, op 8 juli 2024 is getracht om het verwijderingsbesluit van 1 juli 2024 aan eiser in persoon uit te reiken. Eiser heeft toen geweigerd om het besluit in ontvangst te nemen en voor de ontvangst te tekenen. Door vervolgens in Nederland te blijven zonder zich te melden bij de korpschef heeft eiser zich onttrokken aan het toezicht. De zware grond 3b is dan ook feitelijk juist.
De zware gronden 3b en 3c kunnen de maatregel zelfstandig dragen. De overige in de maatregel genoemde gronden en wat daar namens eiser tegen is aangevoerd hoeven niet te worden beoordeeld omdat dat niet kan leiden tot een andere uitkomst.
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Dienst Terugkeer & Vertrek.