ECLI:NL:RBDHA:2025:10133
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en tot 30 april 2025 rechtmatig bevonden. Het geschil betrof de periode na deze datum.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de behandeling van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro, en dat hij vanwege zijn medische situatie niet kon reizen, waardoor vrijlating gerechtvaardigd zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, aangezien eiser zelf vertraging veroorzaakte door het laat aanleveren van benodigde documenten en toestemmingsverklaringen.
Verder stelde de rechtbank dat het indienen van een aanvraag voor uitstel van vertrek niet automatisch het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig maakt, omdat een dergelijke aanvraag nog geen rechtmatig verblijf oplevert. Ambtshalve toetsing leidde ook niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.