Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank oordeelt dat de minister de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, heeft overschreden. Dit oordeel sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de termijn vanaf het moment van indiening van de asielaanvraag begint te lopen, ook indien er onderzoek in het kader van de Dublinverordening plaatsvindt.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat partijen hiermee instemden. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van acht weken op om alsnog een besluit te nemen. Deze termijn is korter dan het gebruikelijke 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, vanwege de overschrijding van de maximale termijn.
Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank veroordeelt de minister ook tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld en het beroep gegrond is verklaard.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige besluitvorming in asielzaken en benadrukt dat bestuursrechters dwangsommen kunnen opleggen ondanks een tijdelijke wet die dit voor asielaanvragen zou uitsluiten, omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak deze bepaling onverbindend heeft verklaard.