ECLI:NL:RBDHA:2025:10333
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen ongegrond verklaard asielberoep op grond van Dublinverordening
Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 30 december 2024, waarin zijn asielberoep ongegrond werd verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat kan worden beschouwd op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen aanleiding was om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen.
Opposant stelde dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke situatie en psychische kwetsbaarheid, en dat de beoordeling niet voldeed aan de zorgvuldigheidsvereisten. Hij voerde aan dat er twijfel bestond over mogelijke schendingen van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro in Kroatië.
De rechtbank onderzocht eerst de ontvankelijkheid van het verzet. Gelet op het feit dat opposant zonder bekend verblijfplaats naar Kroatië was vertrokken en geen contact meer onderhield met zijn gemachtigde, concludeerde de rechtbank dat het procesbelang ontbrak. Hierdoor stelde zij het verzet niet-ontvankelijk en liet de eerdere uitspraak in stand.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is onherroepelijk, omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang doordat opposant naar Kroatië is vertrokken en geen contact onderhoudt.