ECLI:NL:RBDHA:2025:10335
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen ongegrond verklaard beroep op Dublinverordening
De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 30 december 2024, waarin het beroep van opposant ongegrond werd verklaard op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Kroatië en de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet aan de orde was.
Opposant stelde dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke situatie, waaronder zijn kwetsbaarheid door psychische klachten en de gewelddadige behandeling in Kroatië. Hij voerde dat de zaak niet zonder zitting had mogen worden afgewezen en dat er twijfel bestond over schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat opposant zonder bekend verblijf naar Kroatië was vertrokken en sindsdien geen contact meer had met zijn gemachtigde. Hierdoor ontbrak het procesbelang, omdat werd aangenomen dat opposant geen prijs meer stelde op een inhoudelijke beoordeling van zijn verzet.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en liet de bestreden uitspraak in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant zonder bekend verblijf naar Kroatië is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.