De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2025 behandeld en het onderzoek gesloten.
De rechtbank toetst of het voortduren van de maatregel sinds 18 april 2025 rechtmatig is. Eiser heeft de beroepsgrond over voortvarendheid ingetrokken, maar voert aan dat het zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt. De rechtbank overweegt dat er in het algemeen geen gebrek aan zicht op uitzetting is naar Tunesië en dat eiser niet voldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Cijfers tonen aan dat Tunesische autoriteiten in 2024 medewerking verleenden aan het verkrijgen van noodzakelijke documenten.
De rechtbank acht de voortvarendheid van de minister voldoende, gezien de rappellering op de lp-aanvraag en vertrekgesprekken met eiser. Ook is geen aanleiding voor een lichter middel dan bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.