ECLI:NL:RBDHA:2025:10340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring in vreemdelingenrecht

De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2025 behandeld en het onderzoek gesloten.

De rechtbank toetst of het voortduren van de maatregel sinds 18 april 2025 rechtmatig is. Eiser heeft de beroepsgrond over voortvarendheid ingetrokken, maar voert aan dat het zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt. De rechtbank overweegt dat er in het algemeen geen gebrek aan zicht op uitzetting is naar Tunesië en dat eiser niet voldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Cijfers tonen aan dat Tunesische autoriteiten in 2024 medewerking verleenden aan het verkrijgen van noodzakelijke documenten.

De rechtbank acht de voortvarendheid van de minister voldoende, gezien de rappellering op de lp-aanvraag en vertrekgesprekken met eiser. Ook is geen aanleiding voor een lichter middel dan bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23828

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Inleiding

1. De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich op de rechtbank in Groningen laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 25 april 2025. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 18 april 2025 rechtmatig is.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser heeft op de zitting de beroepsgrond met betrekking tot de voortvarendheid ingetrokken.
4.1.
Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser zit al sinds 6 maart 2025 in bewaring, in eerste instantie op grond van artikel 59b van de Vw. Eiser ziet weinig vooruitgang sindsdien. Zo is er nog geen presentatie van eiser bij de Tunesische autoriteiten gepland. Ook vinden er in het algemeen weinig uitzettingen naar Tunesië plaats.
Oordeel van de rechtbank
4.2.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van Tunesië zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het algemeen niet ontbreekt [3] . Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Zoals ook blijkt uit het vertrekgesprek van 4 juni 2025, verleent eiser deze medewerking niet. De minister heeft daarnaast op de zitting cijfers kenbaar gemaakt, waaruit blijkt dat er in 2024 90 aanvragen voor het afgeven van een laisser-passer (lp) bij de Tunesische autoriteiten zijn ingediend, er 25 nationaliteiten zijn bevestigd, er 14 lp’s zijn afgegeven en er 9 uitzettingen op basis van een lp hebben plaatsgevonden. Uit deze cijfers blijkt dat de Tunesische autoriteiten in zekere mate meewerken aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten. De lp-aanvraag van eiser loopt nog niet zodanig lang dat niet aannemelijk is dat een lp binnen afzienbare tijd verstrekt zal worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zicht op uitzetting naar Tunesië ook specifiek voor eiser niet ontbreekt. Dat eiser sinds 6 maart 2025 in bewaring zit op een andere grondslag maakt dit niet anders. Zoals de minister op de zitting terecht heeft opgemerkt mogen er immers geen uitzettingshandelingen worden verricht tijdens een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw.
5. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt. Sinds het sluiten van het onderzoek in de voorgaande periode heeft de minister schriftelijk aan de lp-aanvraag gerappelleerd op 1 en 21 mei 2025. Ook hebben er vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden op 6 mei 2025 en 4 juni 2025. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
6. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.16547.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990, bevestigd op 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:275.