ECLI:NL:RBDHA:2025:10483

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL25.20634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser diende op 2 januari 2025 een asielaanvraag in, die de minister op 1 mei 2025 niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat Duitsland niet betrouwbaar is vanwege tekortkomingen in de asielprocedure, opvangtekorten en toegenomen rechtsextremistisch geweld.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de tekortkomingen in Duitsland niet zodanig ernstig zijn dat dit vertrouwen moet worden opgeheven. De stellingen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd en de rechtbank mag niet toetsen op risico op refoulement na overdracht.

Daarnaast stelde eiser dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken vanwege bijzondere individuele omstandigheden. De rechtbank vindt dat de minister dit niet onterecht heeft geweigerd, mede omdat de situatie van eiser niet schrijnend genoeg is en zijn vrees in Nigeria door de Duitse autoriteiten moet worden behandeld.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en de minister mag eiser aan Duitsland overdragen. De proceskosten worden niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de minister mag eiser aan Duitsland overdragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20634

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Izgi),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mag voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat niet is gebleken van problemen in de Duitse asielprocedure of opvangvoorzieningen. Verder had de minister de aanvraag niet vanwege individuele omstandigheden van eiser aan zich moeten trekken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 staat hoe het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag tot stand is gekomen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en of de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 2 januari 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Duitse autoriteiten zullen hem niet opnemen in de asielprocedure, maar uitzetten naar Nigeria. Daarnaast zal eiser geen opvang krijgen: de Duitse autoriteiten leggen de focus al langer op de uitzetting van vreemdelingen, en niet op het bieden van opvang of goede zorg. Volgens openbare nieuwsbronnen bestaat er, mede gelet op de grote (in)stroom van asielzoekers, een groot tekort aan opvangplekken, dat het karakter aanneemt van een structurele tekortkoming. Tot slot wijst eiser erop dat uit openbare nieuwsbronnen volgt dat rechtsextremistisch geweld richting asielzoekers en asielzoekerscentra in Duitsland is toegenomen.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister erkent dat de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen tekortkomingen kennen, maar stelt terecht dat uit vaste rechtspraak volgt dat deze niet zodanig ernstig zijn dat voor Duitsland niet (langer) kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [2] Eiser heeft zijn stellingen over de problemen in Duitsland niet onderbouwd, zodat zijn betoog geen ander licht doet schijnen op de situatie in Duitsland dan al in de rechtspraak is betrokken. In het verlengde hiervan mag de rechtbank niet beoordelen of eiser na overdracht aan Duitsland het risico loopt op refoulement, [3] zodat ook de stelling van eiser dat hij zal worden uitgezet naar Nigeria niet leidt tot het oordeel dat de minister voor Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Had de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich moeten trekken?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. Eiser bevindt zich tussen twee vuren. Aan de ene kant wil bij zijn kinderen (die met zijn ex-vrouw in Duitsland verblijven) zijn, terwijl hij aan de andere kant met zijn verblijf in Nederland ervoor wil zorgen dat hij en zijn kinderen niet naar Nigeria te hoeven terugkeren, omdat dat land onveilig is. Eiser is in Duitsland gevlucht voor de Duitse autoriteiten door uit een raam te springen, waaraan hij letsel heeft overgehouden. Hij heeft ook verklaard liever dood te gaan dan naar Duitsland terug te keren. Er is daarom sprake van zodanig bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij de asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken, omdat niet is gebleken dat de overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De minister mocht erop wijzen dat eiser zijn vrees in Nigeria moet aanvoeren bij de Duitse autoriteiten, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de asielaanvraag van eiser. Zoals hiervoor overwogen kan de rechtbank geen oordeel geven over de vraag of eiser bij terugkeer naar Duitsland risico op refoulement loopt (zie onder 4.1). Daarnaast mocht de minister erop wijzen dat eiser heeft verklaard dat hij bij zijn kinderen wil blijven. [4] Zij verblijven op dit moment in Duitsland en zullen met eisers ex-vrouw naar Nigeria terugkeren. [5] Gelet op die wens van eiser valt niet in te zien waarom de situatie van eiser, zoals hij op zitting heeft gesteld, schrijnend is en waarom overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft en de minister eiser aan Duitsland mag overdragen. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
2.De minister wijst op Rb. Den Haag (zp Utrecht) 7 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2657. Vergelijk echter ook Rb. Den Haag (zp Arnhem) 18 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6765, met verwijzing naar ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902.
3.Zie ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
4.Zie het verslag van het Dublingehoor van 10 januari 2025, p. 5.
5.Zie bijvoorbeeld het verslag van het Dublingehoor van 10 januari 2025, p. 9.