ECLI:NL:RBDHA:2025:10515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL25.25021
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij schadevergoeding bewaring

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 3 juni 2025 onderworpen aan een maatregel van bewaring door de minister van Asiel en Migratie. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding.

De maatregel van bewaring werd op 6 juni 2025 opgeheven, waarna de rechtbank het beroep op 11 juni 2025 behandelde. Verweerder bood een schadevergoeding van €430 en proceskosten van €907 aan, welke niet door eiser werden aanvaard.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van aanvaarding van dit onvoorwaardelijke aanbod leidt tot het ontbreken van procesbelang bij eiser. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is geen inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding gegeven.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.25021

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 6 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het beroep aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de ter zitting gemaakte afspraken uit voeren.
Op 13 juni 2025 heeft verweerder aanvullende informatie in het digitale dossier geplaatst.
Eiser heeft op 15 juni 2025 gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en op 16 juni 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Uit het dossier volgt dat verweerder al een schadevergoeding tot een bedrag van
€ 430,- en ook de proceskosten tot een bedrag van € 907,- heeft aangeboden te vergoeden. Uit de uitspraken van de Afdeling [2] van 23 januari 2014 [3] en 3 juni 2014 [4] volgt dat ook als de maatregel van bewaring al is opgeheven en verweerder heeft aangeboden de proceskosten en de geleden schade volledig te vergoeden, en dit aanbod is niet aanvaard, procesbelang ontbreekt. Het aanbod van verweerder dient namelijk als onvoorwaardelijk te worden gezien. Eiser kan verweerder aan het aanbod tot schadevergoeding en vergoeding van de proceskosten houden. [5] De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep daarom niet toe.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1319.