ECLI:NL:RBDHA:2025:1068
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel van bewaring wegens zicht op uitzetting en voortvarendheid minister
De minister van Asiel en Migratie legde op 10 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 21 januari 2025.
Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, omdat de Algerijnse autoriteiten terughoudend zijn en hij geen identiteitsdocumenten bezit. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er wel zicht is op uitzetting, mede omdat de lp-aanvraag in onderzoek is en eiser geen inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen.
Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, mede omdat hij voorafgaand aan de bewaring vier weken in strafrechtelijke detentie verbleef zonder uitzettingshandelingen. De rechtbank oordeelde dat de minister vanaf het moment van onherroepelijke veroordeling op 1 januari 2025 voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat eerdere perioden dit niet vereisten.
Eiser betoogde ook dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan, en dat artikel 8 EVRM Pro de uitzetting doorkruist vanwege zijn familiebanden in België. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat het onttrekkingsrisico voldoende is gemotiveerd en dat artikel 8 EVRM Pro in een verblijfsrechtelijke procedure beoordeeld moet worden.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.