ECLI:NL:RVS:2024:78
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake bewaring en uitzetting vreemdeling naar Roemenië
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 25 oktober 2023 in bewaring nadat zijn strafrechtelijke detentie was beëindigd. De vreemdeling tekende beroep aan tegen deze bewaring en de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding door de rechtbank Den Haag.
De vreemdeling betoogde dat de staatssecretaris de inspanningsverplichting voorafgaand aan de bewaring had geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit niet het geval was, mede omdat de strafrechtelijke detentie nog niet onherroepelijk was en de uitzetting niet aansluitend aan de detentie kon worden voorbereid.
Verder klaagde de vreemdeling dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was geweest in de uitzetting naar Roemenië. De Afdeling constateerde dat na beëindiging van de detentie op 25 oktober 2023, de staatssecretaris snel handelde: vertrekgesprekken werden gevoerd op 30 oktober en 1 november, en de uitzetting vond plaats op 3 november 2023.
De Afdeling zag geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd met verbetering van gronden bevestigd en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is rechtmatig en de uitzetting naar Roemenië is voldoende voortvarend uitgevoerd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.