Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
De vreemdeling, met Algerijnse nationaliteit, had beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 6 januari 2025 aan hem was opgelegd. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, had op 10 juni 2025 de maatregel opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of het voortduren van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of schadevergoeding toegekend moest worden.
De rechtbank oordeelde dat eerdere toetsingen hadden bevestigd dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richtte zich op de periode vanaf 14 mei 2025 tot de opheffing. De vreemdeling stelde dat verweerder onvoldoende had gehandeld om de maatregel eerder op te heffen, onder meer vanwege gebrek aan bevestiging van identiteit en nationaliteit en contact met de Algerijnse ambassade.
De rechtbank vond echter dat verweerder voortvarend had gehandeld, onder andere door een vertrekgesprek en een rappel aan de Algerijnse autoriteiten. Er was geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel eerder had moeten worden opgeheven. Ook de ambtshalve toetsing leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.