ECLI:NL:RBDHA:2025:10762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
NL25.25916
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding vreemdeling

De vreemdeling, met Algerijnse nationaliteit, had beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 6 januari 2025 aan hem was opgelegd. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, had op 10 juni 2025 de maatregel opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of het voortduren van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of schadevergoeding toegekend moest worden.

De rechtbank oordeelde dat eerdere toetsingen hadden bevestigd dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richtte zich op de periode vanaf 14 mei 2025 tot de opheffing. De vreemdeling stelde dat verweerder onvoldoende had gehandeld om de maatregel eerder op te heffen, onder meer vanwege gebrek aan bevestiging van identiteit en nationaliteit en contact met de Algerijnse ambassade.

De rechtbank vond echter dat verweerder voortvarend had gehandeld, onder andere door een vertrekgesprek en een rappel aan de Algerijnse autoriteiten. Er was geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel eerder had moeten worden opgeheven. Ook de ambtshalve toetsing leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25916

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft op 10 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 18 juni 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboren] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 14 mei 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende inzichtelijk maakt waarom de maatregel van bewaring niet eerder is opgeheven. De LP [3] -aanvraag is bijna zes maanden geleden ingediend. Sinds de LP-aanvraag is de nationaliteit noch de identiteit van eiser bevestigd, waarbij ook nog geen datum bekend was voor een presentatie. Verder heeft eiser contact opgenomen met de Algerijnse ambassade en een medewerker daarvan vertelde aan eiser dat zijn naam niet voorkwam. Gelet hierop had verweerder op dossierniveau moeten rappelleren, zodat eerder meer duidelijkheid kon worden gegeven en de bewaring mogelijk eerder had kunnen worden opgeheven.
5. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraken over de voortduring van de maatregel van bewaring geoordeeld dat verweerder eerder geen aanleiding heeft hoeven zien om op dossierniveau te rappelleren. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. Daarbij heeft eiser niet onderbouwd dat en wanneer hij contact heeft gehad met de Algerijnse autoriteiten. Verder heeft verweerder tot aan de opheffing van de maatregel van bewaring voortvarend gehandeld, waarbij verweerder op 13 mei 2025 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser en op 21 mei 2025 een schriftelijk rappel heeft verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat na zes maanden vreemdelingenbewaring bij een belangenafweging meer gewicht toekomt aan het belang van de vreemdeling en dat die termijn vóór de opheffing nog niet was verstreken. Gelet op het voorgaande wordt geen reden gezien voor het oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring eerder had moeten opheffen.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 10 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1717, 3 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3132, 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6325 en 15 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8509.
3.Laissez-passer.