De rechtbank Den Haag behandelde op 4 juni 2025 het beroep van eiser tegen twee besluiten van de minister van Asiel en Migratie: een terugkeerbesluit met inreisverbod en een maatregel van bewaring. Het eerdere terugkeerbesluit van november 2024 was niet ingetrokken, waardoor het nieuwe terugkeerbesluit van mei 2025 geen nieuw rechtsgevolg had. Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om over het terugkeerbesluit te oordelen.
Het beroep tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard omdat eiser geen rechtmatig verblijf in Portugal had en onvoldoende concrete gegevens over beschermenswaardig familieleven in Nederland of Portugal had verstrekt. De rechtbank vond dat het inreisverbod terecht was opgelegd.
Ten aanzien van de maatregel van bewaring stelde eiser dat de minister zijn inspanningsverplichting niet was nagekomen door gedurende ruim vijf maanden strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen te verrichten. De rechtbank bevestigde deze schending en oordeelde dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uitviel. De maatregel van bewaring was daarom onrechtmatig vanaf het begin. De rechtbank beval opheffing van de maatregel en kende een schadevergoeding van €1.730 toe, naast proceskosten van €1.814.