ECLI:NL:RBDHA:2025:10872

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24441 en NL25.24633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 1:3 AwbArt. 106 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid en schadevergoeding bij voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, verbleef in bewaring op grond van een maatregel van 6 mei 2025 (maatregel I). De minister hief deze maatregel op en legde op 2 juni 2025 een nieuwe maatregel van bewaring op (maatregel II). Eiser stelde beroep in tegen beide maatregelen en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van 6 mei 2025 rechtmatig was tot 23 mei 2025, maar dat de omzetting naar een nieuwe grondslag te laat plaatsvond, namelijk pas op 2 juni 2025 in plaats van uiterlijk 31 mei 2025. Hierdoor was de voortzetting van de bewaring vanaf 1 juni 2025 onrechtmatig. Voor deze onrechtmatige periode van twee dagen kende de rechtbank een schadevergoeding van €200 toe en veroordeelde de minister in de proceskosten.

Ten aanzien van de maatregel van 2 juni 2025 stelde eiser dat deze onrechtmatig was vanwege de late omzetting en vermeende kwade trouw van de minister. De rechtbank verwierp deze gronden, oordeelde dat de maatregel op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd, voldoende gemotiveerd was en dat er geen sprake was van kwade trouw of misleiding. Het beroep tegen maatregel II werd ongegrond verklaard.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelde in de uitzettingsprocedure en dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding bij maatregel II werd afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en tegen het beroep tegen maatregel II staat hoger beroep open.

Uitkomst: Beroep tegen maatregel van 6 mei 2025 gegrond met schadevergoeding, beroep tegen maatregel van 2 juni 2025 ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.24441 en NL25.24633

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. Bij besluit van 6 mei 2025 (maatregel I) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Op 1 juni 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voorduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.24441.
1.2.
De minister heeft maatregel I met ingang van 2 juni 2025 opgeheven en aansluitend een nieuwe maatregel (maatregel II) opgelegd. De grondslag voor deze nieuwe maatregel van bewaring is artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Ook hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.24633.
1.3.
De rechtbank heeft beide beroepen op 13 juni 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam en heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Vervolgberoep (NL25.24441)
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 mei 2025 van deze rechtbank, deze zittingsplaats, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 23 mei 2025, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 23 mei 2025.
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring van 6 mei 2025 niet rechtsgeldig is opgeheven. Volgens eiser moet een opheffingsbesluit (model M113) worden aangemerkt als een besluit en dient deze dan ook uitgereikt te worden. Nu de M113 niet aan eiser is uitgereikt duurt de maatregel van 6 mei 2025 nog steeds voort. Dit betekent dat eiser op twee verschillende grondslagen in bewaring zit dan wel dat de eerste maatregel voortduurt en dat daarom maatregel II überhaupt niet is opgelegd.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het model M113 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, [3] maar moet worden gezien als een feitelijke handeling. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling [4] van 28 januari 2025. [5] Dit betekent dan ook dat uitreiking van het model M113 niet nodig is. Ook heeft de Afdeling in de uitspraak van 28 januari 2025 overwogen dat de eerste bewaringsmaatregel eindigt door het opleggen van de tweede bewaringsmaatregel die op dezelfde dag wordt opgelegd. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
4. Nu vast is gesteld dat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. [6]
5. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de maatregel niet tijdig is omgezet en daarmee dat maatregel I te lang heeft voortgeduurd. De rechtbank stelt vast de minister erkent dat de maatregel te laat is omgezet en op uiterlijk 31 mei 2025 omgezet had moeten worden. De minister heeft een schadevergoeding aangeboden voor de twee dagen die eiser op de verkeerde grondslag in bewaring heeft verbleven (€ 200,-). Ook heeft de minister een vergoeding aangeboden van de proceskosten tot een bedrag van een punt (€ 907,-). Eiser heeft dit aanbod evenwel niet aangenomen.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak dient de minister een maatregel van bewaring binnen twee dagen om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Bij besluit van 29 mei 2025 is de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de minister uiterlijk op 31 mei 2025 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag (59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw). Dat is pas op 2 juni 2025 gebeurd, zodat de aan eiser op 6 mei 2025 opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 1 juni 2025 niet langer op de juiste wettelijke grondslag heeft berust. Vanaf dat moment tot de omzetting op 2 juni 2025 heeft de bewaring onrechtmatig voortgeduurd. De minister heeft dus terecht erkend dat de maatregel op uiterlijk 31 mei 2025 omgezet had moeten worden. De minister heeft dit echter pas op 2 juni 2025 gedaan en daarmee twee dagen te laat. Gelet hierop is het beroep gegrond en was de maatregel met ingang van 1 juni 2025 onrechtmatig. De rechtbank heeft ambtshalve toetsend geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de maatregel op enig moment voorafgaand aan 1 juni 2025 onrechtmatig is geweest.

Conclusie

6. De maatregel is vanaf 1 juni 2025 onrechtmatig geweest. Eiser wordt niet (meer) in bewaring gehouden op grond van deze maatregel zodat de rechtbank de invrijheidstelling niet hoeft te gelasten en de opheffing van de maatregel niet hoeft te bevelen.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor twee dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van
2 x € 100,- = € 200,-.
8. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Eerste beroep (NL25.24633)
9. Eiser voert aan dat de maatregel van 2 juni 2025 onrechtmatig is opgelegd, omdat de grondslag te laat is omgezet. Eiser verwijst naar rechtsoverweging 54 van het arrest Bouskoura van 4 oktober 2024 [7] en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 11 oktober 2024. [8] Eiser meent dat de minister willekeurig en met enige vorm van kwade trouw heeft gehandeld, omdat de grondslag van de maatregel pas is gewijzigd op het moment dat het vervolgberoep is ingediend. Ook heeft de minister nagelaten enige uitleg te geven waarom de grondslag te laat is gewijzigd.
10. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden niet kunnen slagen. In het hiervoor onder 5. genoemd arrest van 4 oktober 2024 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vraag van zittingsplaats Roermond over de zogenoemde “schottentheorie” beantwoord. Het Hof heeft -kort samengevat- het Unierecht aldus uitgelegd dat de schottentheorie niet onverenigbaar is met het Unierecht, maar dat, ter voorkoming van willekeur, geen sprake mag zijn van enig kwade trouw of misleiding door de autoriteiten.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat op 29 mei 2025 een asielbesluit is genomen en dat de Kmar [9] is verzocht om een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw op te leggen. Hieraan heeft de Kmar gevolg gegeven door (na het weekend) op 2 juni 2025 de maatregel van bewaring om te zetten. De minister heeft toegelicht dat de Kmar op zondag in beginsel omzettingen niet ter hand neemt. Nu de minister voor de omzetting van een maatregel afhankelijk is van de Kmar en de omzetting niet meer dan vier dagen heeft geduurd, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van kwade trouw of misleiding zoals bedoeld in het arrest Bouskoura. Dit betekent dan ook dat de onrechtmatige voortduring van maatregel I niet maakt dat de oplegging en tenuitvoerlegging van maatregel II ook onrechtmatig is.
11. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [10] heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
11.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
11.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen maatregel II. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
12. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft betreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
13. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft, omdat zijn asielaanvraag bij besluit van 29 mei 2025 niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
14. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
15. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische zorg in het detentiecentrum beschikbaar is en ook gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
16. De minister heeft ter zitting aangegeven dat op 2 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Ook heeft de minister op 4 juni 2025 een lp [11] -aanvraag richting de Algerijnse autoriteiten ingediend en is op 12 juni 2025 schriftelijk gerappelleerd. De rechtbank ziet gezien dit alles geen reden om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
Zicht op uitzetting
17. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [12] Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Algerije geen lp binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken.

Conclusie

18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de maatregel van 6 mei 2025, gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 200,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van op € 1.814,-;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de maatregel van 2 juni 2025, ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de maatregel van 2 juni 2025, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de maatregel van 6 mei 2025, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.21846.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Afdelingsuitspraak van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:232, rechtsoverweging 5.4.
6.Op grond van artikel 106 van Pro de Vw.
7.ECLI:EU:C:2024:868.
9.Koninklijke Marechaussee.
10.Vreemdelingenbesluit 2000.
11.Laissez-passer.
12.Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd met de uitspraak van