Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser,
Procesverloop
5 oktober 2024 en de vragen beantwoord. Verweerder heeft tevens, zoals verzocht, de huisregels van DTC Rotterdam en een op 7 oktober 2024 opgemaakt proces-verbaal van het op 2 september 2024 gehouden gehoor voorafgaand aan de oplegging van terugkeerbesluit II aan het dossier toegevoegd.
Overwegingen
2 mei 2024 gehoord te hebben, heeft verweerder besloten om eiser in bewaring te stellen.
en het Hof verzocht om deze vraag in de prejudiciële spoedprocedure te behandeling omdat eiser in bewaring wordt gehouden:
Artikel 15, leden 2 en 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, artikel 9, lid 3, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming en artikel 28, lid 4, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, gelezen in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
16 Op 17 mei 2024 om 14.51 uur heeft de staatssecretaris een terugkeerbesluit tegen C uitgevaardigd, waarbij Marokko als land van bestemming werd aangewezen. Aangezien de staatssecretaris van mening was dat het risico bestond dat de betrokkene – die geen rechtmatig verblijf had – vóór zijn verwijdering zou onderduiken, heeft hij vervolgens om 14.52 uur op grond van artikel 59, lid 1, aanhef en onder a, Vw een bewaringsmaatregel vastgesteld (hierna: „tweede bewaringsmaatregel”). Deze maatregel is nog steeds van kracht. Om 14.55 uur diezelfde dag heeft de staatssecretaris de eerste bewaringsmaatregel opgeheven.
(…)
18 C betoogt voor deze rechter dat de eerste bewaringsmaatregel onrechtmatig is geworden op 14 mei 2024. Vanaf die datum kon deze maatregel niet meer worden gerechtvaardigd door de overdracht van de betrokkene aan het Koninkrijk Spanje, gelet op het feit dat die lidstaat had geweigerd om hem over te nemen. Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Nederland) beschikt de staatssecretaris vanaf die datum over een termijn van 48 uur om de bewaring van de betrokkene te gelasten op een andere grondslag dan die welke de eerste bewaringsmaatregel rechtvaardigde. In casu is deze termijn niet in acht genomen, aangezien de staatssecretaris de tweede bewaringsmaatregel pas op 17 mei 2024 heeft opgelegd. Bijgevolg had de bewaring van C niet mogen voortduren en had hij vóór de oplegging van de tweede bewaringsmaatregel in vrijheid moeten worden gesteld.
(…)
38 In deze context moet nog worden verduidelijkt dat het Hof in de onderhavige zaak niet wordt gevraagd of de in het Nederlandse recht gestelde en in punt 18 van het onderhavige arrest genoemde termijn van 48 uur verenigbaar is met het Unierecht. Bijgevolg hoeft niet te worden onderzocht of een nationale praktijk op grond waarvan de bevoegde autoriteiten een persoon die om internationale bescherming verzoekt maximaal 48 uur in bewaring mogen houden na het intreden van de omstandigheid die bepalend is voor de onrechtmatigheid van een op grondslag van de Dublin III-verordening vastgestelde bewaringsmaatregel, verenigbaar is met de verplichting van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2013/33, waarnaar artikel 28, lid 4, van de Dublin III-verordening verwijst, om de betrokkene „onmiddellijk” vrij te laten.
39 Een dergelijk onderzoek heeft namelijk in essentie betrekking op de redenen die een op basis van de Dublin III-verordening vastgestelde bewaringsmaatregel onrechtmatig kunnen maken, terwijl de verwijzende rechter in casu uitgaat van de premisse dat de eerste bewaringsmaatregel onrechtmatig is en wil nagaan of deze onrechtmatigheid gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de tweede bewaringsmaatregel, die op basis van richtlijn 2008/115 is vastgesteld. Voorts staat vast dat de onrechtmatigheid van de eerste bewaringsmaatregel volgens de verwijzende rechter niet voortvloeit uit de eventuele onverenigbaarheid van deze termijn van 48 uur met de verplichting tot onmiddellijke invrijheidstelling, maar uit het feit dat de tweede bewaringsmaatregel 24 uur na het verstrijken van die termijn is opgelegd.
40 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 15, leden 2 en 4, van richtlijn 2008/115, artikel 9, lid 3, van richtlijn 2013/33 en artikel 28, lid 4, van de Dublin III-verordening, gelezen in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die de bevoegde rechterlijke autoriteit niet verplicht om te gelasten dat een derdelander die in bewaring is gesteld op grond van een krachtens richtlijn 2008/115 opgelegde maatregel, in vrijheid wordt gesteld omdat die persoon, wiens bewaring aanvankelijk was gelast krachtens een op grondslag van de Dublin III-verordening opgelegde maatregel, niet onmiddellijk is vrijgelaten nadat was vastgesteld dat die aanvankelijke maatregel onrechtmatig was geworden.
41 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van Pro het Handvest verankerde recht op vrijheid, ongeacht of die bewaring nu plaatsvindt krachtens richtlijn 2008/115 in het kader van een terugkeerprocedure ten gevolge van illegaal verblijf, krachtens richtlijn 2013/33 in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, of krachtens de Dublin III-verordening in het kader van de overdracht van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(…)
43 Gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van Pro het Handvest vastgelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, is de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt afgebakend. Een bewaringsmaatregel kan dus alleen worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 Wanneer blijkt dat niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring die zijn geformuleerd in richtlijn 2008/115, richtlijn 2013/33, de Dublin III-verordening en de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering daarvan, moet voorts de betrokkene onmiddellijk worden vrijgelaten, zoals de Uniewetgever overigens in artikel 15, lid 2, vierde alinea, en lid 4, van richtlijn 2008/115 en artikel 9, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2013/33 expliciet aangeeft [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 79].
(…)
46 Met betrekking tot de vraag of de onrechtmatigheid van een maatregel tot bewaring van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, welke maatregel op grondslag van de Dublin III-verordening is vastgesteld met het oog op de overdracht van die persoon aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een latere, op basis van richtlijn 2008/115 vastgestelde maatregel tot bewaring van die persoon, die ononderbroken in bewaring is gehouden en niet langer de status heeft van persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar die thans als illegaal verblijvende derdelander kan worden aangemerkt, moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de bewaring met het oog op verwijdering, die in richtlijn 2008/115 is geregeld, en de bewaring van een asielzoeker, die met name krachtens richtlijn 2013/33 en de toepasselijke nationale bepalingen wordt gelast, onder afzonderlijke juridische regelingen vallen (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C‑357/09 PPU, EU:C:2009:741, punt 45).
52 Wat voorts de mogelijkheid betreft om de bewaring van een derdelander te handhaven, heeft het Hof geoordeeld dat afbreuk zou worden gedaan aan deze doelstelling van richtlijn 2008/115, indien de lidstaten niet zouden kunnen voorkomen, middels een vrijheidsontneming, dat een van illegaal verblijf verdachte persoon onderduikt nog voordat zijn situatie kon worden opgehelderd (zie in die zin arrest van 6 december 2011, Achughbabian, C‑329/11, EU:C:2011:807, punt 30).
53 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van een maatregel tot bewaring van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, welke maatregel op basis van de Dublin III-verordening is vastgesteld met het oog op de overdracht van die persoon aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, in beginsel geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een latere, op basis van richtlijn 2008/115 vastgestelde maatregel tot bewaring van die persoon, die ononderbroken in bewaring is gehouden en niet langer de status heeft van persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar thans als illegaal verblijvende derdelander kan worden aangemerkt. Bijgevolg is de bevoegde rechterlijke autoriteit niet verplicht om deze persoon onmiddellijk in vrijheid te stellen op de enkele grond dat een eerdere, op basis van de Dublin III-verordening vastgestelde bewaringsmaatregel onrechtmatig is geworden.
54 Hoe dan ook moet erop worden gewezen dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de handhaving van een vrijheidsontnemende maatregel, wil deze in overeenstemming zijn met het doel om de betrokkene tegen willekeur te beschermen, onder meer inhoudt dat bij de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel geen sprake mag zijn van enige kwade trouw of misleiding door de autoriteiten, dat die in overeenstemming moet zijn met het doel van de beperkingen die door de desbetreffende alinea van artikel 5, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn toegestaan en dat er een verband is tussen de grond die wordt aangevoerd en de vrijheidsontneming in kwestie (zie in die zin arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 81).
55 Aan de conclusie in punt 53 van het onderhavige arrest wordt niet afgedaan door de overweging van de verwijzende rechter dat de toekenning van schadevergoeding aan de persoon die onrechtmatig in bewaring is gehouden, niet op passende wijze de schending van het recht op vrijheid verhelpt, en evenmin het in artikel 47 van Pro het Handvest verankerde recht op een effectieve rechterlijke bescherming waarborgt.
(…)
58 Wat ten eerste het recht op vrijheid betreft en zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie in wezen opmerkt, impliceert de vaststelling dat een bewaringsmaatregel onrechtmatig is, echter niet in alle gevallen dat de betrokkene onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld (zie naar analogie arrest van 10 september 2013, G. en R., C‑383/13 PPU, EU:C:2013:533, punten 39 en 40) – waardoor de betrokkene in zijn rechten had kunnen worden hersteld – voor zover dit herstel feitelijk niet meer mogelijk is, aangezien de voortzetting van de bewaring van die persoon rechtsgeldig wordt gerechtvaardigd op basis van een andere autonome rechtsgrondslag. Om die reden moet in beginsel worden voorzien in een schadeloosstelling voor personen die ten onrechte in bewaring zijn gehouden, teneinde de schade te vergoeden die zij als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsontneming hebben geleden.
59 Wat ten tweede het in artikel 47 van Pro het Handvest verankerde recht op effectieve rechterlijke bescherming betreft, moet worden opgemerkt dat, zoals de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft bevestigd, de verwijzende rechter de staatssecretaris kan gelasten een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen dan laatstgenoemde in casu concreet heeft voorgesteld. De omstandigheid dat de staatssecretaris een bedrag van 100 EUR heeft voorgesteld als vergoeding voor de door C geleden schade wegens het feit dat de in het nationale recht gestelde termijn voor invrijheidstelling met 24 uur was overschreden, lijkt op zich dus niet voldoende om aan te tonen dat dit recht in de omstandigheden van de onderhavige zaak is geschonden.
60 Ten slotte zij eraan herinnerd dat, om de redenen die tot de conclusie in punt 53 van het onderhavige arrest hebben geleid, in omstandigheden als die van het hoofdgeding de onrechtmatigheid van de eerste bewaringsmaatregel in beginsel niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van de tweede bewaringsmaatregel, die op basis van richtlijn 2008/115 is vastgesteld.
4 juni 2024. De rechtbank heeft wel vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat na ommekomst van 48 uur nadat de Spaanse autoriteiten het claimverzoek hebben afgewezen, de maatregel één dag onrechtmatig heeft voortgeduurd en in die situatie maatregel II is opgelegd. Anders dan het Hof in punt 18 heeft overwogen, heeft eiser zich niet op het standpunt gesteld dat maatregel I op 14 mei 2024 onrechtmatig is geworden. Eiser heeft zich ten overstaan van de rechtbank op 22 mei 2024 en ten overstaan van het Hof op 15 juli 2024 op het standpunt gesteld dat vanwege het ontvallen van de “Dublingrondslag”, maatregel I op 17 mei 2024 onrechtmatig is geworden. De rechtbank wijst in dit verband naar punten 65 en 66 van de Conclusie van de Advocaat-Generaal, waarin deze feiten wel juist zijn weergegeven.
30 Voor deze vaststelling is bevestiging te vinden in punt 17 van de considerans van die richtlijn, waaruit blijkt dat de voorwaarden van de aanvankelijke aanhouding van onderdanen van derde landen die van illegaal verblijf in een lidstaat worden verdacht, nog steeds door het nationale recht worden geregeld. Zoals de Franse regering heeft opgemerkt, zou bovendien afbreuk worden gedaan aan het doel van richtlijn 2008/115, te weten de doeltreffende terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, indien de lidstaten niet zouden kunnen voorkomen, middels een vrijheidsbeneming zoals inverzekeringstelling, dat een van illegaal verblijf verdachte persoon nog voordat zijn situatie kon worden opgehelderd onderduikt.
Tot slot moet worden benadrukt dat, los van het concrete geval, de staatssecretaris, indien er geen reden bestaat om een nieuwe bewaringsmaatregel vast te stellen, niet over 48 uur beschikt om de bewaring te beëindigen, maar dit zo snel mogelijk moet doen (in de regel dezelfde dag nog).”
72. Ten derde staat het aan de nationale rechter om per geval te beoordelen of, gelet op de gemiddelde duur van de door de administratieve autoriteit aangevoerde bestuurshandelingen, een maximumtermijn, zoals 48 uur, een redelijke termijn vormt. Op het eerste gezicht lijkt dit het geval te zijn. Het blijft echter van belang dat de administratieve autoriteit motiveert waarom zij 48 uur nodig heeft, rekening houdend met alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden.
6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869), 31 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2245) en
10 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3631) volgt dat de termijn waarbinnen verweerder “de grondslag moet omzetten” twee dagen en niet 48 klokuren bedraagt. Uit deze Afdelingsjurisprudentie vloeit dus de rechtsregel voort dat verweerder de vrijheidsontneming op grond van een bewaringsmaatregel waarvan de grondslag is komen te vervallen, twee dagen mag laten voorduren ter voorbereiding van een opvolgende maatregel. Uit deze uitspraken volgt ook dat bij een niet tijdige omzetting, de voortduring van de maatregel onrechtmatig wordt op de derde dag nadat de grondslag aan de maatregel is ontvallen. Uit de uitleg die het Hof in het arrest Bouskoura heeft gegeven leidt de rechtbank af dat, hoewel deze termijn voor vrijheidsontneming geen Unierechtelijke grondslag kent, een eventuele nationale regeling, waaronder begrepen een rechtsregel die voortvloeit uit rechtspraak en waarin is bepaald dat een zekere termijn wordt gegund aan de lidstaat om een daadwerkelijk onmiddellijke invrijheidstelling te voorkomen, is toegestaan. De lidstaten kunnen dus op deze manier in hun nationale rechtspraktijk “regelen” dat een derdelander enige tijd in bewaring kan worden gehouden in de situatie dat de eerste maatregel niet langer als Unierechtelijke grondslag voor de vrijheidsontneming kan dienen, en er nog geen nieuwe maatregel en dus geen nieuwe Unierechtelijke grondslag voor vrijheidsontneming is. De lidstaten hebben deze mogelijkheid, aldus het Hof omdat anders, zoals in het onderhavige geval, het nuttig effect aan de Terugkeerrichtlijn wordt ontnomen indien sprake is van een onttrekkingsrisico. De lidstaten mogen dus bewerkstelligen dat de derdelander ter beschikking van de autoriteiten blijft om zo de mogelijke terugkeer van de derdelander doeltreffend ter hand te kunnen nemen.
16 mei 2024 een opvolgende maatregel moeten opleggen maar alleen als dit op basis van een nieuw deugdelijk onderzoek noodzakelijk, proportioneel en evenredig zou worden bevonden. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder was dus gehouden om eiser op
17 mei 2024, zijnde de dag waarop de tenuitvoerlegging onrechtmatig is geworden, in vrijheid te stellen omdat op 16 mei 2024, klokslag middernacht, de twee dagen-termijn die uit de Afdelingsjurisprudentie volgt was verstreken en de vrijheidsontneming óók niet was gestoeld op een Unierechtelijke grondslag voor bewaring.
12 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4578) en neemt een grotere omvang van de verplichting aan voor de rechter om ambtshalve de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te onderzoeken en te beoordelen.
17 mei 2024 gebreken kleven omdat niet duidelijk is waarom verweerder heeft gekozen voor oplegging van een maatregel ter fine van terugkeer naar Marokko en niet een verzoek tot heroverweging bij de Spaanse autoriteiten, dan wel een claimverzoek bij de Duitse autoriteiten heeft ingediend. Eiser stelt een echtgenote met de Spaanse nationaliteit die in Frankrijk verblijft te hebben en een vertrek uit de Unie zal het contact bemoeilijken.
2 september 2024 opgelegde aanvullende terugkeerbesluit II waarin Algerije ook als land van bestemming is benoemd. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan aangegeven dat zijn belgegevens onrechtmatig zijn verkregen door DT&V. Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat indien eiser wenst dat de rechtmatigheid van terugkeerbesluit II wordt beoordeeld, hij een zelfstandig beroep dient in te stellen tegen dit terugkeerbesluit. Ten tijde van de behandeling van het volgberoep ter zitting had eiser dit nog niet gedaan.
22 oktober 2024.
22 juni 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:5970), 14 november 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:11952), 2 december 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:12965) en de uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 19 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:5603), 5 juni 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:8019) en
12 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5585).
De wijze waaropde maatregel ten uitvoer wordt gelegd en het bewaringsregime regarderen, net als
de inrichting waarde maatregel ten uitvoer wordt gelegd, de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de bewaring en dus de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming. Het is juist aan de bewaringsrechter om alle rechtmatigheidsvereisten van de oplegging en voortduring van de bewaring te controleren en indien de wijze waarop de maatregel ten uitvoer wordt gelegd de maatregel onrechtmatig maakt, de opheffing hiervan te bevelen en de onmiddellijke invrijheidstelling te gelasten. De rechtbank weet dat de Afdeling dit anders ziet, maar de rechtbank volgt de Afdeling op dit punt niet omdat, naar het oordeel van de rechtbank, het Unierecht en de duiding hiervan door het Hof de bewaringsrechter verplichten om de wijze van tenuitvoerlegging te betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring.
6 juli 2023 in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. C-663/21, ECLI:EU:C:2023:540). Al deze situaties zijn hier echter niet aan de orde.
in het belang van het verblijf in de inrichting(onderstreping door de rechtbank) persoonsgegevens en andere gegevens van ingeslotenen en die van andere personen verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent uw identiteit en nationaliteit (…). De rechtbank overweegt dat ook deze bepaling geen bevoegdheid geeft aan verweerder om zonder toestemming de belgegevens van eiser in te zien en op te slaan. De rechtbank overweegt dat de huisregels van een detentiecentrum niet als grondslag kan dienen voor het inperken van grondrechten van gedetineerden en in bewaring gestelde vreemdeling. Een dergelijke inbreuk vereist een wettelijke grondslag. De rechtbank stelt daarnaast vast dat ook uit de inhoud van de huisregels niet blijkt dat de belgegevens van eiser bevoegd zijn verstrekt aan verweerder.
Conclusie
8 oktober 2024 in bewaring wordt gehouden, ligt in deze procedure niet ter toetsing voor. Deze rechtbank en zittingsplaats zal de rechtmatigheid van de maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden onderzoeken en beoordelen ter zitting van
22 oktober 2024.
- tweemaal indienen beroep 2 punten
- zitting rechtbank op 17 mei 2024 1 punt
- schriftelijke opmerkingen bij Hof 2 punten
- mondelinge behandeling Hof op 15 juli 2024 2 punten
- zitting rechtbank op 8 oktober 2024 1 punt
15 maart 2021 (TQ, ECLI:NL:RBDHA:2021:2376), 7 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:6993, LH), 14 november 2022 (C, B en X, ECLI:NL:RBDHA:2022:11952), 27 december 2022 (X, ECLI:NL:RBDHA:2022:14223, hersteld bij uitspraak van 11 januari 2023) en 20 december 2023 (X., Y., ECLI:NL:RBDHA:2023:20195).
Beslissing
- verklaart het beroep tegen maatregel I gegrond (NL24.20258);
- verklaart het beroep tegen terugkeerbesluit I ongegrond (NL24.21362);
- verklaart het beroep tegen maatregel II ongegrond (NL24.21272);
- verklaart het volgberoep niet-ontvankelijk (NL24.34192);
- verklaart het beroep tegen terugkeerbesluit II ongegrond (NL24.37738);
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 11.047,78.