ECLI:NL:RBDHA:2025:11401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
C/09/672507 / HA RK 24-513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 3 lid 1 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 1 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op grond van biologisch vaderschap

Verzoekster vroeg de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van haar biologische vader, die volgens haar Nederlander is. De rechtbank beoordeelde het verzoek op basis van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI), omdat deze gold ten tijde van haar geboorte.

Uit de stukken bleek dat verzoekster een Surinaamse moeder heeft en een juridische vader met de Surinaamse nationaliteit die haar heeft erkend. De rechtbank stelde dat nationaliteit wordt ontleend aan het juridisch ouderschap en niet aan het biologisch vaderschap, waardoor het verzoek niet kon worden toegewezen.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat het verzoek niet voldoende was onderbouwd met relevante stukken en dat de advocaat van verzoekster onvoldoende onderzoek had gedaan. Ondanks dit zag de rechtbank af van een proceskostenveroordeling tegen verzoekster vanwege de tekortkomingen van haar advocaat.

De rechtbank wees het verzoek af en veroordeelde geen van beide partijen in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat nationaliteit wordt ontleend aan juridisch ouderschap en niet aan biologisch vaderschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 24-513
Zaaknummer: C/09/672507
Datum beschikking: 17 april 2025

Beschikking op het op 13 september 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Singh te Hoofddorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. drs. [naam 5] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 6 november 2024, met bijlage, van de IND.
Op 20 maart 2025 is de zaak op een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, en
mr. drs. [naam 5] namens de IND.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster,
een en ander met veroordeling van de IND in de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Op de zitting heeft de IND daarnaast verzocht om verzoekster te veroordelen in de proceskosten.

Feiten

  • Verzoekster is op [geboortedatum 1] 1984 te [geboorteplaats] , Suriname, geboren uit een Surinaamse moeder ( [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1954, hierna: de moeder).
  • Uit een DNA test rapport van 30 juli 2024 van DDC volgt dat [naam 2] een zus (hierna: de zus) van verzoekster is.
  • Uit een uittreksel van de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaats] volgt dat [naam 3] (hierna: [naam 3] ) de vader van de zus is, en dat verzoekster en de zus dezelfde moeder hebben.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen.
In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe – samengevat – aan dat [naam 3] (die volgens verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft) haar biologische vader is. Op grond van artikel 3, lid 1 RWN heeft verzoekster daarom ook de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank stelt voorop dat in het nationaliteitsrecht rechtsfeiten worden beoordeeld volgens het recht dat gold op het moment dat dit rechtsfeit zich voordeed. Op het moment dat verzoekster werd geboren gold ten aanzien van het nationaliteitsrecht de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI). Verzoekster beroept zich op de RWN, maar deze wet gold ten tijde van de geboorte van verzoekster nog niet (de RWN is op
1 januari 1985 in werking getreden), zodat verzoekster hierop geen beroep kan doen. De rechtbank zal het verzoek ambtshalve beoordelen op grond van de WNI.
Volgens artikel 1 van Pro de WNI zijn Nederlanders door geboorte:
het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit;
het wettig kind van een Nederlander die binnen driehonderd dagen vóór de geboorte van het kind overleed;
het niet-erkend onwettig kind, waarvan tijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit;
het niet-erkend onwettig kind, in het Koninkrijk geboren, tenzij blijkt, dat het de nationaliteit van een andere Staat bezit.
Op grond van de stukken en op grond van wat op de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat verzoekster een Surinaamse moeder heeft en een juridische (stief)vader met de Surinaamse nationaliteit, te weten de inmiddels overleden [naam 4] (hierna: [naam 4] ) die verzoekster heeft erkend ten tijde van zijn huwelijk met de moeder in [maand] 1994.
Ook als wat verzoekster stelt juist is, namelijk dat zij de biologische dochter is van Breinburg en dat [naam 3] Nederlander is (wat door de IND wordt betwist), moet het verzoek worden afgewezen. Immers, verzoekster heeft een juridische vader (namelijk [naam 4] ) met de Surinaamse nationaliteit. Uitgangspunt van de WNI – en overigens ook van de RWN – is dat nationaliteit wordt ontleend aan het juridisch ouderschap. Dat het Nederlanderschap ontleend zou kunnen worden aan het biologisch vaderschap omdat het belang van het kind dat met zich brengt, zoals de advocaat van verzoekster betoogt, ontbeert een juridische grondslag. De wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen, is wettelijk voorzien, in de WNI/RWN en in voorkomende gevallen de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (zie Hoge Raad 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1450). Verzoekster heeft niet uitgelegd op grond van welke bepaling en op welk moment zij het Nederlanderschap in deze situatie via [naam 3] zou hebben verkregen.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster afwijzen.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND of verzoekster in de proceskosten en zal de verzoeken daartoe afwijzen.
De rechtbank hecht er aan in dit verband het volgende op te merken.
Het verzoek om een proceskostenveroordeling van de zijde van de IND is gebaseerd op het feit dat het door de advocaat ingediende verzoek op geen enkele wijze is onderbouwd. Ook heeft het de vertegenwoordiger van de IND veel tijd en moeite gekost om relevante gegevens en akten ten aanzien van verzoekster boven tafel te krijgen die voor een juiste afweging van belang zijn. Dit had de advocaat van verzoekster moeten doen, maar die heeft dat nagelaten.
Ook de rechtbank constateert dat het verzoek niet is onderbouwd met relevante stukken. Bij het verzoekschrift zijn enkel gevoegd een uittreksel uit de BRP van de zus en een kopie van het DNA-onderzoek naar verzoekster en de zus. De stukken die duidelijkheid zouden kunnen geven over de gestelde Nederlandse nationaliteit van de vermeende biologische vader waar de zaak op is gegrond, zijn niet overgelegd. Ook zijn aan het juridische standpunt op geen enkele wijze handen en voeten gegeven. Omdat het verzoek is afgewezen en bovendien niet is onderbouwd, zou dat voldoende aanleiding zijn voor een proceskostenveroordeling ten gunste van de IND. De rechtbank ziet daar evenwel vanaf.
Een proceskostenveroordeling zou er namelijk toe leiden dat verzoekster opdraait voor die kosten terwijl het aan de advocaat is te wijten dat er zo slecht is geprocedeerd. Op de zitting is verder gebleken dat de advocaat – nadat hij verzoekster via een juridisch adviesbureau als cliënte ‘toegeschoven’ had gekregen – geen contact met verzoekster heeft gehad, geen feiten bij haar heeft uitgevraagd en geen nadere stukken ter onderbouwing van de in het verzoekschrift ingenomen standpunten heeft uitgezocht en of heeft opgevraagd. Deze handelwijze is niet wat van een advocaat mag worden verwacht en bijzonder kwalijk, niet in de laatste plaats voor verzoekster. De rechtbank acht het onredelijk als verzoekster dan ook nog de financiële last hiervan zou moeten dragen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, mr. A.M. Brakel en mr. A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!