Art. 18 lid 1 sub d Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 9 Dublinverordening
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep op verantwoordelijkheid Nederland voor asielaanvraag in Dublinprocedure
Eiser, met de Turkse nationaliteit, diende op 26 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-gegevens bleek dat hij op 9 januari 2025 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend. Nederland verzocht Duitsland om terugname, welke werd geaccepteerd. Verweerder nam de aanvraag van eiser niet in behandeling op grond van artikel 30 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het gezinsverband met zijn echtgenote en minderjarige kinderen in Nederland zou leiden tot Nederlandse verantwoordelijkheid, maar de rechtbank oordeelde dat het enkele bestaan van het gezinsverband niet automatisch Nederland verantwoordelijk maakt in een terugnamesituatie. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelt dat in een terugnamesituatie geen beroep kan worden gedaan op Hoofdstuk III van de Dublinverordening.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de asielaanvragen van het gezin van eiser buiten behandeling zijn gesteld omdat Kroatië verantwoordelijk is, en dat Nederland op grond van artikel 10 vanPro de Dublinverordening evenmin verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De claimakkoord tussen Nederland en Duitsland sluit erkenning van Kroatische verantwoordelijkheid niet uit, maar Nederland is daartoe niet verplicht. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard en hij krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16826
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.16827), op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. Op 26 januari 2025 heeft eiser een verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 9 januari 2025 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 28 februari 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 5 maart 2025 aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de gezinsleden van eiser destijds in Nederland waren niet betekent dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarnaast stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Volgens verweerder heeft eiser ook geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgrond
3. Eiser voert aan dat zijn huwelijksakte ten onrechte niet is meegewogen in het bestreden besluit, deze is immers op echtheid onderzocht en echt bevonden. Daarnaast stelt eiser dat een belangrijk uitgangspunt van de Dublinverordening naleving is van het beginsel van de eenheid van het gezin. Eisers echtgenote heeft op 31 augustus 2024, mede namens hun twee minderjarige kinderen, in Nederland asiel aangevraagd. Nu het gezinsverband aannemelijk is, ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag bij Nederland op grond van artikel 9 enPro 10 van de Dublinverordening, dan wel bij Kroatië op grond van artikel 11 vanPro de Dublinverordening.
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zelfs indien het gezinsverband tussen eiser, zijn echtgenote en hun minderjarige kinderen zou zijn aangetoond, het enkele bestaan ervan niet zonder meer betekent dat Nederland op grond van Hoofdstuk III van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
4.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672, volgt dat een vreemdeling in geval van een terugnamesituatie als bedoeld in de Dublinverordening in Nederland in beginsel geen beroep kan doen op een bepaling uit Hoofdstuk III van die verordening. In eisers geval is sprake van een terugnamesituatie en kan hij in beginsel geen beroep doen op een bepaling uit Hoofdstuk III van de Dublinverordening, waaronder de artikelen 9, 10 en 11. Er is namelijk een claimakkoord tot stand gekomen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Dit betekent dat het asielverzoek van eiser in Duitsland in behandeling is. De uitzondering op de hoofdregel zoals die is genoemd in de uitspraak van 31 oktober 2019, overweging 5.1, is niet van toepassing. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit terecht aangevoerd.
4.3.
De rechtbank overweegt voorts – het voorgaande daargelaten – dat de asielaanvragen van het gezin van eiser bij besluit van 3 januari 2025 buiten behandeling zijn gesteld, op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Volgens de gegevens van verweerder is eisers gezin op 25 april 2025 overgedragen aan de autoriteiten van Kroatië. Nu eiser op 26 januari 2025 een asielaanvraag heeft ingediend, kan Nederland op grond van artikel 10 vanPro de Dublinverordening evenmin verantwoordelijk worden geacht voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
4.4.
Tot slot voert eiser tevergeefs in deze Dublinprocedure aan dat Kroatië mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 11 vanPro de Dublinverordening. Uit het claimakkoord volgt dat Duitsland de procedure waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald heeft afgesloten. Verder bestaat er in dit geval voor Nederland ook geen verplichting om de verantwoordelijkheid van Kroatië te erkennen (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1812, onder 4.1, en het arrest H. en Rvan het Hof van Justitie van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280, punten 80 tot en met 84).
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.