ECLI:NL:RBDHA:2025:11454
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Duitsland
Eiser, met de Tunesische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Eiser stelt dat hij in Duitsland geen asiel heeft aangevraagd en dat zijn vingerafdrukken onder dwang zijn afgenomen zonder verband met een asielaanvraag. Ook voert hij aan dat hij in Duitsland onmenselijk is behandeld.
De rechtbank stelt vast dat uit het Eurodac-rapport blijkt dat eiser op 11 april 2024 asiel heeft aangevraagd in Duitsland en dat Duitsland de verantwoordelijkheid voor de aanvraag heeft bevestigd. De rechtbank volgt de vaste jurisprudentie dat de minister in beginsel mag afgaan op Eurodac-informatie. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidt ertoe dat wordt aangenomen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt.
Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Duitsland een reëel risico op onmenselijke behandeling oplevert. Zijn stellingen worden niet ondersteund door bewijs en hij had de mogelijkheid om klachten in Duitsland te uiten. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.