ECLI:NL:RVS:2017:74
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verantwoordelijkheid Duitsland voor behandeling asielaanvraag vreemdeling onder Dublinverordening
De vreemdeling, afkomstig uit Afghanistan, diende op 15 maart 2016 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris stelde op grond van de Dublinverordening dat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling, omdat de vreemdeling zich eerder in Duitsland had gemeld en daar een verzoek om internationale bescherming had kenbaar gemaakt. Duitsland accepteerde het terugnameverzoek ondanks het ontbreken van een formeel schriftelijk asielverzoek, maar bevestigde registratie van de vreemdeling als asielzoeker via een BÜMA-document.
De vreemdeling voerde aan dat hij geen formeel verzoek in Duitsland had ingediend en dat de BÜMA slechts een identiteitsbewijs was, waardoor Nederland verantwoordelijk zou moeten zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Dublinverordening onderscheid maakt tussen het kenbaar maken van een verzoek om bescherming en de formele indiening daarvan. Het kenbaar maken van de wens tot bescherming in Duitsland, bevestigd door registratie en uitreiking van de BÜMA, maakt Duitsland verantwoordelijk.
De Afdeling benadrukte dat het doel van de Dublinverordening is om forumshopping te voorkomen en de verantwoordelijke lidstaat snel vast te stellen. De vreemdeling kon zich niet onttrekken aan de Dublinverordening door pas in Nederland formeel een asielverzoek in te dienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling.