ECLI:NL:RBDHA:2025:1146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
NL25.1801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 afgewezen

De rechtbank Den Haag heeft op 28 januari 2025 het beroep van eiser tegen het besluit van 9 januari 2025 beoordeeld, waarin de minister van Asiel en Migratie de maatregel van bewaring oplegde op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd het beroep aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Tijdens de zitting op 21 januari 2025 deed eiser afstand van zijn recht om te worden gehoord, maar een waarnemer van zijn gemachtigde was aanwezig. De rechtbank heeft onderzocht of de minister terecht de bewaring heeft opgelegd, mede aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit en nationaliteit, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiser heeft de feitelijke juistheid van deze gronden niet gemotiveerd bestreden.

Eiser stelde dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet duidelijk was dat hij bijzondere feiten of omstandigheden moest aanvoeren die tot toepassing van een lichter middel konden leiden. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende vragen heeft gesteld over gezondheid, familie en omstandigheden, en dat eiser voldoende gelegenheid had zijn mening te geven. De minister motiveerde ook voldoende waarom een lichter middel niet toereikend was.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is en dat er geen aanleiding is tot een ander oordeel bij ambtshalve toetsing. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1801

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 9 januari 2025, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen, waarin eiser verklaart afstand te doen van zijn recht om te worden gehoord. Namens eiser is mr. W.M. Blaauw verschenen als waarnemer van eisers gemachtigde. Ook is de gemachtigde van de minister verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaard het beroep ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken:
3d: niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn/haar identiteit en
nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden.
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
Ten aanzien van de aan de bewaring ten grondslag gelegde gronden stelt de rechtbank vast dat eiser de feitelijke juistheid van de bewaringsgronden niet gemotiveerd heeft bestreden en evenmin heeft bestreden dat deze gronden het risico op onttrekking aan het toezicht en het ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden – bezien in samenhang met de daarop gegeven toelichting – de maatregel van bewaring reeds dragen.
5. Eiser heeft aangevoerd dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet duidelijk is gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval met toepassing van een lichter middel moest worden volstaan. Op pagina vijf van het gehoor verklaart eiser wel dat hij de gevolgen van de beschikking begrijpt, maar daar had de minister op moeten doorvragen. De minister had moeten nagaan of het voor eiser echt duidelijk was dat dit het moment was waarop hij moest aangeven of er mogelijk bijzondere feiten of omstandigheden zijn die maken dat er een lichter middel zou moeten worden toegepast. Eisers antwoord geeft hier namelijk geen uitsluitsel over.
5.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State volgt dat de minister voorafgaand aan de inbewaringstelling voldoende kennis dient te vergaren ten aanzien van de af te wegen belangen in het kader van het opleggen van een lichter middel. [1] De minister moet eiser duidelijk maken dat het aan hem is om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval een lichter middel moet worden toegepast.
5.2.
Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser is gevraagd hoe het met zijn gezondheid is, of hij onder doktersbehandeling staat en of hij medicijnen gebruikt. Ook is aan eiser gevraagd of hij in Nederland of binnen Europa familie of vrienden heeft wonen. Bovendien is aan eiser gevraagd waarom hij niet naar Spanje zou kunnen worden overgedragen. Door deze vragen te stellen heeft de minister getracht te achterhalen of zich bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot de persoonlijke belangen van de vreemdelingen voordeden die tot toepassing van een lichter middel noopten. [2] Deze bijzondere feiten of omstandigheden kunnen immers zijn gelegen in de gezondheidssituatie van eiser of in de aanwezigheid van familieleden hier te lande en daarmee samenhangende zorgtaken. Eiser is verder tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verteld dat hij over het voornemen hem in bewaring te stellen zijn mening mag geven, zodat het eiser voldoende duidelijk was dat dit de gelegenheid was om alles wat van belang kan zijn naar voren te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook voldoende onderzocht of kon worden volstaan met een lichter middel dan bewaring.
5.3.
De minister heeft zijn beslissing om geen lichter middel toe te passen ook voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Hij heeft zich, onder verwijzing naar de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden en de daarbij gegeven motivering, op het standpunt gesteld dat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend kan worden toegepast, dat door eiser ook niet overtuigend is gesteld dat een dergelijke maatregel voor daadwerkelijke effectueren van dienst vertrek kan volstaan en dat door eiser geen omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat met een minder dwingende maatregel moest worden volstaan. Bezien in het licht van wat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard in reactie op de aan hem gestelde concrete vragen over mogelijke bijzonder feiten of omstandigheden en bij de geboden gelegenheid om zijn mening te geven over het voornemen hem in bewaring te stellen, heeft de minister met deze motivering kunnen volstaan.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS, 24 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3083 en ABRvS, 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:424.
2.ABRvS, 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:424.