De rechtbank Den Haag heeft op 28 januari 2025 het beroep van eiser tegen het besluit van 9 januari 2025 beoordeeld, waarin de minister van Asiel en Migratie de maatregel van bewaring oplegde op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd het beroep aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Tijdens de zitting op 21 januari 2025 deed eiser afstand van zijn recht om te worden gehoord, maar een waarnemer van zijn gemachtigde was aanwezig. De rechtbank heeft onderzocht of de minister terecht de bewaring heeft opgelegd, mede aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit en nationaliteit, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiser heeft de feitelijke juistheid van deze gronden niet gemotiveerd bestreden.
Eiser stelde dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet duidelijk was dat hij bijzondere feiten of omstandigheden moest aanvoeren die tot toepassing van een lichter middel konden leiden. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende vragen heeft gesteld over gezondheid, familie en omstandigheden, en dat eiser voldoende gelegenheid had zijn mening te geven. De minister motiveerde ook voldoende waarom een lichter middel niet toereikend was.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is en dat er geen aanleiding is tot een ander oordeel bij ambtshalve toetsing. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.