ECLI:NL:RVS:2016:424
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over schending onderzoeksplicht bij vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 2 december 2015 is een vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende kennis had vergaard over de af te wegen belangen en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De staatssecretaris voerde aan dat hij voldoende vragen had gesteld tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring, waaronder over gezondheid en bereidheid tot terugkeer, en dat hij had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast. De Afdeling stelde echter vast dat de staatssecretaris niet duidelijk had gemaakt dat het aan de vreemdeling was om bijzondere persoonlijke omstandigheden aan te voeren en ook niet voldoende concrete vragen had gesteld over andere persoonlijke belangen zoals familiebanden of zorgtaken.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zijn onderzoeksplicht te beperkt had ingevuld en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek was. Omdat de staatssecretaris niet had betoogd dat de vreemdeling hierdoor in zijn belangen was geschaad, faalde het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.