ECLI:NL:RBDHA:2025:11658

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
09/269184-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen van witwassen met overschrijding van de redelijke termijn

Op 2 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen Stichting [verdachte] wegens medeplegen van witwassen. De verdachte heeft grote geldbedragen, die deels afkomstig waren uit misdrijf, gewitwassen door deze te investeren in onroerend goed. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met vier jaar is overschreden. De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,- en de verbeurdverklaring van twee panden. Het onderzoek ter terechtzitting vond plaats op 19, 20 en 21 mei 2025, met een sluiting op 18 juni 2025. De officier van justitie, mr. M.C. Stolk, heeft de verdachte beschuldigd van het witwassen van onroerend goed, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de panden aan de [adres 6] en [adres 5] te Den Haag, omdat deze panden zijn gefinancierd met (deels) van misdrijf afkomstige gelden. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het witwassen van andere panden, omdat niet kon worden bewezen dat deze met crimineel geld waren gefinancierd. De rechtbank heeft de strafbaarheid van de verdachte vastgesteld en de opgelegde straf in overeenstemming gebracht met de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/269184-22
Datum uitspraak: 2 juli 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
Stichting [verdachte],
Gevestigd te [adres 1] , [postcode] te [vestigingsplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19, 20 en 21 mei 2025 (inhoudelijke behandeling) en 18 juni 2025 (sluiten onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsman mr. M.L. van Gaalen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 mei 2017 tot en met 21 mei 2019 te Den Haag en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander (en), althans alleen, (van) één of meer voorwerp(en) te weten, één of meer onroerend(e) goed(eren), zijnde één of meer panden met als adres
- [adres 2] te Den Haag en/of
- [adres 3] te Den Haag en/of
- [adres 4] te Den Haag en/of
- [adres 5] te Den Haag en/of
- [adres 6] te Den Haag en/of
a. a) de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of de vervreemding heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) is/zijn en/of wie dat/die voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of
b) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit/ deze voorwerp(en) geheel en/of gedeeltelijk – onmiddellijk en/of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf, zulks terwijl verdachte én/of haar mededader(s) van het plegen van dit/die misdrijf/misdrijven een gewoonte heeft/hebben gemaakt en/of het plegen van dit/die misdrijf/misdrijven als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard voor zover het gaat om het witwassen van de onroerende goederen met het adres [adres 6] en [adres 5] te Den Haag en [adres 2] te Den Haag en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de onroerende goederen met het adres [adres 3] te Den Haag en [adres 4] te Den Haag.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader witwassen
Van witwassen is onder meer sprake wanneer van een voorwerp de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende wordt verborgen of verhuld, of als men een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – uit een misdrijf afkomstig is.
Er moet een handeling zijn die het verbergen of verhullen van de criminele aard van het voorwerp tot doel heeft en die handeling moet ook geschikt zijn om de criminele aard te verbergen of te verhullen.
Er kunnen zich gevallen voordoen waarin witwassen is ten laste gelegd, maar geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is. Het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan dan toch bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag of voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Allereerst zal dan moeten worden vastgesteld of zich feiten of omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst dus als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. [1]
Verder kunnen de witwasbepalingen ook toepassing vinden in situaties:
  • i) waarin het vermogen “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig is, namelijk als legaal vermogen is “besmet” doordat daaraan uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en
  • ii) waarin het vermogen “middellijk” uit misdrijf afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.
Het is mogelijk dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situaties kan zich het geval voordoen dat het vermogen – en nadien elke betaling daaruit – wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen. [2]
Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het dus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is en ook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden. [3]
Aankoop en financiering panden
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. Op 8 april 2016 zijn de appartementen aan de [adres 6] en [adres 5] geleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V. voor een koopprijs van € 88.500,-. Op 1 maart 2017 is Stichting [verdachte] (hierna: Stichting [verdachte] ) opgericht. Op 29 mei 2017 worden de appartementen aan de [straatnaam 1] geleverd door [bedrijfsnaam 1] B.V. aan Stichting [verdachte] voor € 88.500,. Voor deze aankoop is geen hypotheekrecht gevestigd op de appartementen en dus geen hypothecaire lening afgesloten.
Op 18 september 2017 koopt Stichting [verdachte] het pand aan de [adres 4] voor € 200.000,-. Het pand is gefinancierd met een hypothecaire lening van de verkoper aan de koper van € 200.000,-. Op 28 december 2017 koopt Stichting [verdachte] het appartement aan het [adres 2] voor € 78.000,-. Er is geen hypothecaire lening afgesloten voor de financiering. Wel is er een bedrag van € 15.000,- overgemaakt naar Stichting [verdachte] door [naam 1] als lening. [naam 1] heeft hierover verklaard dat dit een lening aan zijn vriend “ [medeverdachte] ” uit Den Haag was voor de koop van een appartement. Op 15 maart 2019 koopt Stichting [verdachte] het pand aan de [adres 3] voor € 95.000,-. Voor deze aankoop is een hypothecaire lening afgesloten voor € 65.000,-.
Met betrekking tot de financiering van de appartementen die het eerst zijn aangekocht door Stichting [verdachte] , namelijk de [adres 6] en [adres 5] , blijkt uit onderzoek dat daarvan € 40.000,- afkomstig is van [bedrijfsnaam 2] B.V. via een verscheidenheid aan transacties van rekeningen van [medeverdachte] en diens (toen) minderjarige dochter [naam 2] . Omdat de dochter op dat moment minderjarig was, heeft zij deze banktransacties niet zelf kunnen doen, maar zijn deze gedaan door (één van) haar ouders als gevolmachtigde.
Banktransacties
In totaal wordt er in de periode van 2 december tot en met 19 december 2016 € 44.000,- contant gestort op de bankrekening met nummer [bankrekening 1] t.n.v. [medeverdachte] . Uit het kasboek van [bedrijfsnaam 2] B.V. blijkt dat er in dezelfde periode in totaal € 44.000,- uit de kas is opgenomen.
Vervolgens is in verschillende transacties in totaal € 40.000,- overgemaakt van de genoemde bankrekening van [medeverdachte] naar de gezamenlijke bankrekening van [medeverdachte] en [naam 3] ( [bankrekening 2] ). Daarvan wordt in totaal € 30.000,- rechtstreeks overgemaakt naar een rekening van hun dochter [naam 2] ( [bankrekening 3] ). De overige € 10.000,- komt via verschillende bankrekeningen bij ditzelfde rekeningnummer terecht, namelijk via bankrekeningen [bankrekening 4] en [bankrekening 5] . Deze rekeningen staan allebei eveneens op naam van dochter [naam 2] . Daarna wordt op 2 mei 2017 € 40.000,- overgemaakt naar de bankrekening van Stichting [verdachte] . Een schematische weergave van (onder andere) de genoemde overboekingen wordt als bijlage II opgenomen.
Deels van misdrijf afkomstig
De rechtbank moet vaststellen of de genoemde € 40.000,- die via [bedrijfsnaam 2] B.V. op de privérekening van [medeverdachte] terecht is gekomen van misdrijf afkomstig is.
Bij vonnis van heden van deze rechtbank wordt medeverdachte [medeverdachte] veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in het bedrijfspand en via de website van [bedrijfsnaam 2] goederen en stoffen te koop heeft aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt en voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Ook acht de rechtbank bewezen dat de gehele omzet van [bedrijfsnaam 2] van na inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet op 1 maart 2015 uit misdrijf afkomstig was.
De verdediging heeft tijdens de terechtzitting stukken overgelegd waaruit blijkt dat (de toen nog eenmanszaak) [bedrijfsnaam 2] een bedrijfswinst van meer dan € 40.000,- had aan het einde van 2014 en dus vóór de ingevoerde wetswijziging in 2015. Naar het oordeel van de rechtbank is het vermogen van € 40.000,- dat uiteindelijk is overgeboekt naar Stichting [verdachte] echter aan te merken als “besmet”, doordat daaraan uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd. Doordat vele contante stortingen in 2015, 2016 en 2017 zijn gedaan met uit misdrijf afkomstige gelden is het vermogen met de legale bedrijfswinst vermengd en laat dit vermogen zich daarom niet meer individualiseren. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de € 40.000,- die gebruikt is als startkapitaal voor de financiering van de appartementen aan de [straatnaam 1] deels van misdrijf afkomstig is.
Daderschap Stichting
Voor strafbaarheid van het ten laste gelegde witwassen is vereist dat de pleger “wist” dat zijn gedraging een uit misdrijf afkomstig goed betrof. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of Stichting [verdachte] wist dat € 40.000,- voor de financiering van de panden (deels) van misdrijf afkomstig was. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Om een rechtspersoon aan te kunnen merken als dader van een strafbaar feit moet het feit in redelijkheid aan haar kunnen worden toegerekend. Wanneer dat het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval en de aard van de verboden gedraging. Beoordeeld moet worden of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan onder meer sprake zijn als het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde, werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging dienstig is geweest aan de rechtspersoon of als de rechtspersoon erover kon beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard.
Voor de vaststelling dat sprake is van het feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit gepleegd door de rechtspersoon is opzet vereist op de verboden gedraging, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Om tot een bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven te komen is de vaststelling dat iemand de bestuurder is van een rechtspersoon onvoldoende. Aan de andere kant is het niet vereist dat iemand de bestuurder van de rechtspersoon is. Ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon kan als feitelijk leidinggever van het door de rechtspersoon begane strafbare feit worden aangemerkt. Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte, gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan de verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Ook een meer passieve rol kan tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. [4]
Vanaf datum oprichting van Stichting [verdachte] op 1 maart 2017 tot 6 november 2019 is de bestuurder mevrouw [naam 4] , de moeder van medeverdachte [medeverdachte] . Vanaf 6 november 2019, na de tenlastegelegde periode, is de bestuurder van Stichting [verdachte] mevrouw [naam 3] , partner van medeverdachte [medeverdachte] . De enig aandeelhouder van Stichting [verdachte] is [naam 2] , de dochter van [naam 3] en medeverdachte [medeverdachte] . Op het moment van oprichting van Stichting [verdachte] was zij twaalf jaar oud. Ingevolge artikel 1:234 van het Burgerlijk Wetboek is een minderjarige alleen bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van haar ouders en voor zover de wet niet anders bepaalt.
Bestuurder [naam 4] is verhoord door de politie. [naam 4] heeft bij de politie verklaard dat zij bekend is met Stichting [verdachte] maar er niet veel over kan vertellen. Zij weet er niks van en wil haar zoon niet belasten. Uit de oprichtingsakte van Stichting [verdachte] blijkt dat [medeverdachte] bij overlijden van de bestuurder of wanneer de bestuurder anderszins ophoudt bestuurder te zijn, de bestuurder vervangt. [5] Gelet op het voorgaande, de vele banktransacties via de rekeningen van [medeverdachte] en die van zijn dochter waar hij de beschikking over had, en het economisch belang dat hij via zijn dochter bij Stichting [verdachte] heeft, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] feitelijk het beleid van Stichting [verdachte] bepaalde op het moment van aanschaf van de panden aan de [straatnaam 1] . De wetenschap van [medeverdachte] van de (deels) criminele herkomst van de € 40.000,- voor de financiering van het vastgoed kan dan ook worden toegerekend aan Stichting [verdachte] . Daarmee concludeert de rechtbank ook dat Stichting [verdachte] met [medeverdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt.
Witgewassen panden
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of bij alle vijf in de tenlastelegging genoemde panden sprake is van witwashandelingen.
De aankoopprijs van de panden aan de [adres 6] en [adres 5] is voor € 40.000,-, bijna de helft, gefinancierd met (deels) uit misdrijf verkregen gelden. Deze voormalige winkelpanden aan de [adres 6] en [adres 5] zijn verbouwd tot woningen en vervolgens verhuurd. [6] Voor deze panden geldt dat sprake is van witwashandelingen, omdat Stichting [verdachte] deze gelden heeft gebruikt, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet door de panden aan te kopen en deze vervolgens te verhuren.
Voor het overige oordeelt de rechtbank dat van de panden aan de [straatnaam 2] , de [straatnaam 3] en het [straatnaam 4] niet kan worden bewezen dat deze zijn gefinancierd met vermogen (deels) afkomstig van misdrijf. De koopsom van de [straatnaam 3] is namelijk voor het grootste deel gefinancierd met een hypothecaire geldlening (namelijk € 65.000,- van € 95.000,-) en voor het overige kan de rechtbank niet vaststellen dat het pand is gefinancierd met uit misdrijf afkomstig vermogen. Dit geldt ook voor het pand aan de [straatnaam 2] : de gehele aankoopsom is gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Voor wat betreft het pand aan het [straatnaam 4] geldt eveneens dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat dit pand is aangekocht met huuropbrengsten van de [adres 6] en [adres 5] en daarom is aan te merken als vervolgprofijt. De rechtbank zal daarom Stichting [verdachte] van het witwassen van deze drie panden vrijspreken.
Pleegperiode
De aankoop van de panden aan de [straatnaam 1] heeft plaatsgevonden in mei 2017. De voor de financiering gebruikte € 40.000,- heeft Stichting [verdachte] op 2 mei 2017 verkregen. De panden zijn op 29 mei 2017 geleverd en behoren tot op heden aan Stichting [verdachte] toe. De rechtbank is daarom van oordeel dat de pleegperiode bewezen kan worden vanaf 9 mei 2017, namelijk de begindatum zoals tenlastegelegd, tot en met 21 mei 2019.
Conclusie
De rechtbank spreek Stichting [verdachte] vrij van (gewoonte)witwassen van de panden aan het [adres 2] , de [adres 3] en de [adres 4] , alle te Den Haag. De rechtbank komt tot de conclusie dat Stichting [verdachte] zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de panden aan de [adres 6] en [adres 5] te Den Haag, omdat die panden zijn gefinancierd met (deels) van misdrijf afkomstige geldbedragen, en zij die panden heeft verworven, voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt door deze panden vervolgens te verhuren.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij in de periode van 9 mei 2017 tot en met 21 mei 2019 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten onroerende goederen, zijnde panden met als adres
  • [adres 5]te Den Haag en
  • [adres 6]te Den Haag
b) heeft verworven en voorhanden heeft gehad en gebruik
vanheeft gemaakt,
terwijl zij wist dat deze voorwerpen gedeeltelijk –middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 100.500,-.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht rekening te houden met eventuele verbeurdverklaring van de panden en de verdachte aldus niet dubbel te straffen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van twee panden. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Witwassen leidt er namelijk toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk en ogenschijnlijk legaal over het geld kan beschikken. De verdachte heeft hieraan een belangrijke bijdrage geleverd, louter voor haar eigen financiële gewin.
De overschrijding van de redelijke termijn
De panden zijn in mei 2019 in beslag genomen en sindsdien is de verdachte op de hoogte van de verdenking die jegens haar is gerezen. Dit vonnis is op 2 juli 2025 gewezen en de redelijke termijn is dus met ruim vier jaar overschreden. De rechtbank brengt dit in het voordeel van de verdachte tot uitdrukking in de op te leggen straf.
De rechtbank acht in beginsel een aanzienlijke geldboete passend en geboden voor het bewezenverklaarde feit. Gelet op de ruime overschrijding van de redelijke termijn en de hierna te bespreken verbeurdverklaring van twee panden met een geschatte waarde van € 88.500,- en € 55.596,- (totaal € 144.096,-), wat door de rechtbank beschouwd wordt als een zware bijkomende straf, zal de rechtbank een aanzienlijk lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht in beginsel een geldboete van € 12.500,- passend en geboden. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal aan de verdachte een geldboete van € 10.000,- worden opgelegd.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de panden gelegen aan de [adres 6] en [adres 5] (geschatte waarde: € 88.500,- en € 55.596,-) en het [adres 2] (geschatte waarde: € 79.789,-) verbeurd worden verklaard en dat het beslag op de panden aan de [adres 3] en de [adres 4] wordt opgeheven.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om teruggave van de panden aan de verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, de panden gelegen aan de [adres 6] en [adres 5] te Den Haag, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen grotendeels door middel van het bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, de panden aan het [adres 2] , de [adres 3] en de [adres 4] , alle te Den Haag.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 23, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een geldboete van
€ 10.000,-;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:
- [adres 6] en [adres 5] (te Den Haag);
gelast de teruggave aan de rechthebbende van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:
- [adres 2] (te Den Haag);
- [adres 3] (te Den Haag);
- [adres 4] (te Den Haag).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2025.

Voetnoten

1.HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194.
2.HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.
3.HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.
4.Rb. Den Haag, 12 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15352 (Taxus).
5.Oprichtingsakte Stichting, p. 7 (punt 2).
6.ZD9, p.171 en p.307.