3.4.Bewijsoverwegingen
Juridisch kader witwassen
Van witwassen is onder meer sprake wanneer van een voorwerp de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende wordt verborgen of verhuld, of als men een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – uit een misdrijf afkomstig is.
Er moet een handeling zijn die het verbergen of verhullen van de criminele aard van het voorwerp tot doel heeft en die handeling moet ook geschikt zijn om de criminele aard te verbergen of te verhullen.
Er kunnen zich gevallen voordoen waarin witwassen is ten laste gelegd, maar geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is. Het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan dan toch bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag of voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Allereerst zal dan moeten worden vastgesteld of zich feiten of omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst dus als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Verder kunnen de witwasbepalingen ook toepassing vinden in situaties:
- i) waarin het vermogen “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig is, namelijk als legaal vermogen is “besmet” doordat daaraan uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en
- ii) waarin het vermogen “middellijk” uit misdrijf afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.
Het is mogelijk dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situaties kan zich het geval voordoen dat het vermogen – en nadien elke betaling daaruit – wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.
Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het dus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is en ook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden.
Aankoop en financiering panden
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. Op 8 april 2016 zijn de appartementen aan de [adres 6] en [adres 5] geleverd aan [bedrijfsnaam 1] B.V. voor een koopprijs van € 88.500,-. Op 1 maart 2017 is Stichting [verdachte] (hierna: Stichting [verdachte] ) opgericht. Op 29 mei 2017 worden de appartementen aan de [straatnaam 1] geleverd door [bedrijfsnaam 1] B.V. aan Stichting [verdachte] voor € 88.500,. Voor deze aankoop is geen hypotheekrecht gevestigd op de appartementen en dus geen hypothecaire lening afgesloten.
Op 18 september 2017 koopt Stichting [verdachte] het pand aan de [adres 4] voor € 200.000,-. Het pand is gefinancierd met een hypothecaire lening van de verkoper aan de koper van € 200.000,-. Op 28 december 2017 koopt Stichting [verdachte] het appartement aan het [adres 2] voor € 78.000,-. Er is geen hypothecaire lening afgesloten voor de financiering. Wel is er een bedrag van € 15.000,- overgemaakt naar Stichting [verdachte] door [naam 1] als lening. [naam 1] heeft hierover verklaard dat dit een lening aan zijn vriend “ [medeverdachte] ” uit Den Haag was voor de koop van een appartement. Op 15 maart 2019 koopt Stichting [verdachte] het pand aan de [adres 3] voor € 95.000,-. Voor deze aankoop is een hypothecaire lening afgesloten voor € 65.000,-.
Met betrekking tot de financiering van de appartementen die het eerst zijn aangekocht door Stichting [verdachte] , namelijk de [adres 6] en [adres 5] , blijkt uit onderzoek dat daarvan € 40.000,- afkomstig is van [bedrijfsnaam 2] B.V. via een verscheidenheid aan transacties van rekeningen van [medeverdachte] en diens (toen) minderjarige dochter [naam 2] . Omdat de dochter op dat moment minderjarig was, heeft zij deze banktransacties niet zelf kunnen doen, maar zijn deze gedaan door (één van) haar ouders als gevolmachtigde.
Banktransacties
In totaal wordt er in de periode van 2 december tot en met 19 december 2016 € 44.000,- contant gestort op de bankrekening met nummer [bankrekening 1] t.n.v. [medeverdachte] . Uit het kasboek van [bedrijfsnaam 2] B.V. blijkt dat er in dezelfde periode in totaal € 44.000,- uit de kas is opgenomen.
Vervolgens is in verschillende transacties in totaal € 40.000,- overgemaakt van de genoemde bankrekening van [medeverdachte] naar de gezamenlijke bankrekening van [medeverdachte] en [naam 3] ( [bankrekening 2] ). Daarvan wordt in totaal € 30.000,- rechtstreeks overgemaakt naar een rekening van hun dochter [naam 2] ( [bankrekening 3] ). De overige € 10.000,- komt via verschillende bankrekeningen bij ditzelfde rekeningnummer terecht, namelijk via bankrekeningen [bankrekening 4] en [bankrekening 5] . Deze rekeningen staan allebei eveneens op naam van dochter [naam 2] . Daarna wordt op 2 mei 2017 € 40.000,- overgemaakt naar de bankrekening van Stichting [verdachte] . Een schematische weergave van (onder andere) de genoemde overboekingen wordt als bijlage II opgenomen.
Deels van misdrijf afkomstig
De rechtbank moet vaststellen of de genoemde € 40.000,- die via [bedrijfsnaam 2] B.V. op de privérekening van [medeverdachte] terecht is gekomen van misdrijf afkomstig is.
Bij vonnis van heden van deze rechtbank wordt medeverdachte [medeverdachte] veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in het bedrijfspand en via de website van [bedrijfsnaam 2] goederen en stoffen te koop heeft aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt en voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Ook acht de rechtbank bewezen dat de gehele omzet van [bedrijfsnaam 2] van na inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet op 1 maart 2015 uit misdrijf afkomstig was.
De verdediging heeft tijdens de terechtzitting stukken overgelegd waaruit blijkt dat (de toen nog eenmanszaak) [bedrijfsnaam 2] een bedrijfswinst van meer dan € 40.000,- had aan het einde van 2014 en dus vóór de ingevoerde wetswijziging in 2015. Naar het oordeel van de rechtbank is het vermogen van € 40.000,- dat uiteindelijk is overgeboekt naar Stichting [verdachte] echter aan te merken als “besmet”, doordat daaraan uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd. Doordat vele contante stortingen in 2015, 2016 en 2017 zijn gedaan met uit misdrijf afkomstige gelden is het vermogen met de legale bedrijfswinst vermengd en laat dit vermogen zich daarom niet meer individualiseren. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de € 40.000,- die gebruikt is als startkapitaal voor de financiering van de appartementen aan de [straatnaam 1] deels van misdrijf afkomstig is.
Daderschap Stichting
Voor strafbaarheid van het ten laste gelegde witwassen is vereist dat de pleger “wist” dat zijn gedraging een uit misdrijf afkomstig goed betrof. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of Stichting [verdachte] wist dat € 40.000,- voor de financiering van de panden (deels) van misdrijf afkomstig was. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Om een rechtspersoon aan te kunnen merken als dader van een strafbaar feit moet het feit in redelijkheid aan haar kunnen worden toegerekend. Wanneer dat het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval en de aard van de verboden gedraging. Beoordeeld moet worden of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan onder meer sprake zijn als het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde, werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging dienstig is geweest aan de rechtspersoon of als de rechtspersoon erover kon beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard.
Voor de vaststelling dat sprake is van het feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit gepleegd door de rechtspersoon is opzet vereist op de verboden gedraging, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Om tot een bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven te komen is de vaststelling dat iemand de bestuurder is van een rechtspersoon onvoldoende. Aan de andere kant is het niet vereist dat iemand de bestuurder van de rechtspersoon is. Ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon kan als feitelijk leidinggever van het door de rechtspersoon begane strafbare feit worden aangemerkt. Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte, gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan de verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Ook een meer passieve rol kan tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken.
Vanaf datum oprichting van Stichting [verdachte] op 1 maart 2017 tot 6 november 2019 is de bestuurder mevrouw [naam 4] , de moeder van medeverdachte [medeverdachte] . Vanaf 6 november 2019, na de tenlastegelegde periode, is de bestuurder van Stichting [verdachte] mevrouw [naam 3] , partner van medeverdachte [medeverdachte] . De enig aandeelhouder van Stichting [verdachte] is [naam 2] , de dochter van [naam 3] en medeverdachte [medeverdachte] . Op het moment van oprichting van Stichting [verdachte] was zij twaalf jaar oud. Ingevolge artikel 1:234 van het Burgerlijk Wetboek is een minderjarige alleen bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van haar ouders en voor zover de wet niet anders bepaalt.
Bestuurder [naam 4] is verhoord door de politie. [naam 4] heeft bij de politie verklaard dat zij bekend is met Stichting [verdachte] maar er niet veel over kan vertellen. Zij weet er niks van en wil haar zoon niet belasten. Uit de oprichtingsakte van Stichting [verdachte] blijkt dat [medeverdachte] bij overlijden van de bestuurder of wanneer de bestuurder anderszins ophoudt bestuurder te zijn, de bestuurder vervangt.Gelet op het voorgaande, de vele banktransacties via de rekeningen van [medeverdachte] en die van zijn dochter waar hij de beschikking over had, en het economisch belang dat hij via zijn dochter bij Stichting [verdachte] heeft, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] feitelijk het beleid van Stichting [verdachte] bepaalde op het moment van aanschaf van de panden aan de [straatnaam 1] . De wetenschap van [medeverdachte] van de (deels) criminele herkomst van de € 40.000,- voor de financiering van het vastgoed kan dan ook worden toegerekend aan Stichting [verdachte] . Daarmee concludeert de rechtbank ook dat Stichting [verdachte] met [medeverdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt.
Witgewassen panden
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of bij alle vijf in de tenlastelegging genoemde panden sprake is van witwashandelingen.
De aankoopprijs van de panden aan de [adres 6] en [adres 5] is voor € 40.000,-, bijna de helft, gefinancierd met (deels) uit misdrijf verkregen gelden. Deze voormalige winkelpanden aan de [adres 6] en [adres 5] zijn verbouwd tot woningen en vervolgens verhuurd.Voor deze panden geldt dat sprake is van witwashandelingen, omdat Stichting [verdachte] deze gelden heeft gebruikt, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet door de panden aan te kopen en deze vervolgens te verhuren.
Voor het overige oordeelt de rechtbank dat van de panden aan de [straatnaam 2] , de [straatnaam 3] en het [straatnaam 4] niet kan worden bewezen dat deze zijn gefinancierd met vermogen (deels) afkomstig van misdrijf. De koopsom van de [straatnaam 3] is namelijk voor het grootste deel gefinancierd met een hypothecaire geldlening (namelijk € 65.000,- van € 95.000,-) en voor het overige kan de rechtbank niet vaststellen dat het pand is gefinancierd met uit misdrijf afkomstig vermogen. Dit geldt ook voor het pand aan de [straatnaam 2] : de gehele aankoopsom is gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Voor wat betreft het pand aan het [straatnaam 4] geldt eveneens dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat dit pand is aangekocht met huuropbrengsten van de [adres 6] en [adres 5] en daarom is aan te merken als vervolgprofijt. De rechtbank zal daarom Stichting [verdachte] van het witwassen van deze drie panden vrijspreken.
Pleegperiode
De aankoop van de panden aan de [straatnaam 1] heeft plaatsgevonden in mei 2017. De voor de financiering gebruikte € 40.000,- heeft Stichting [verdachte] op 2 mei 2017 verkregen. De panden zijn op 29 mei 2017 geleverd en behoren tot op heden aan Stichting [verdachte] toe. De rechtbank is daarom van oordeel dat de pleegperiode bewezen kan worden vanaf 9 mei 2017, namelijk de begindatum zoals tenlastegelegd, tot en met 21 mei 2019.
Conclusie
De rechtbank spreek Stichting [verdachte] vrij van (gewoonte)witwassen van de panden aan het [adres 2] , de [adres 3] en de [adres 4] , alle te Den Haag. De rechtbank komt tot de conclusie dat Stichting [verdachte] zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de panden aan de [adres 6] en [adres 5] te Den Haag, omdat die panden zijn gefinancierd met (deels) van misdrijf afkomstige geldbedragen, en zij die panden heeft verworven, voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt door deze panden vervolgens te verhuren.