ECLI:NL:RBDHA:2025:11664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
NL25.26461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, verwijzend naar eerdere jurisprudentie over het niet verstrekken van laissez-passers en uitzettingen.

De rechtbank stelde vast dat de door verweerder aangevoerde gronden voor de maatregel feitelijk juist en voldoende onderbouwd waren. Verweerder toonde aan dat in 2024 wel degelijk nationaliteitsbevestigingen en uitzettingen naar Marokko hebben plaatsgevonden, en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser bracht geen feiten aan die dit zicht zouden ontkrachten.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26461

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft verzocht om een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 18 juni 2025 de beroepsgronden ingediend, waarna verweerder op dezelfde datum een verweerschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft op 27 juni 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Het staat vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Gelet hierop was verweerder bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank stelt vast dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) voldoende zijn toegelicht.
5. Eiser verzoekt de rechtbank om te toetsen of sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Hij verwijst in dat verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat in 2020 geen laissez-passers zijn verstrekt én geen uitzettingen hebben plaatsgevonden. [3]
6. Volgens vaste rechtspraak bestaat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. [4] Daarbij heeft verweerder in zijn verweerschrift aan de hand van concrete cijfers aangetoond dat in 2024 nationaliteitsbevestigingen hebben plaatsgevonden, laissez-passers zijn verstrekt en uitzettingen naar Marokko zijn gerealiseerd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er geen reden is om te veronderstellen dat in het geval van eiser geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Eiser heeft geen andere feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen laissez-passer zullen afgeven.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Uitspraken van 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:698, 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829 en 28 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3265.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025, met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2025:219.