ECLI:NL:RBDHA:2025:11687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
3 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20548
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Indiase nationaliteit, diende op 14 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Nederland deed een verzoek tot terugname bij Oostenrijk, dat dit verzoek aanvaardde. Eiser werd op 14 mei 2025 overgedragen aan Oostenrijk.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege problemen in de Oostenrijkse opvang, waaronder gebrek aan medische hulp en bedreigingen die hij persoonlijk had ervaren. Tevens stelde hij dat hij bij terugkeer naar India risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel. Hij verzocht ook om humanitaire behandeling van zijn aanvraag in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat alleen kan worden weerlegd met concrete aanwijzingen van structurele en ernstige tekortkomingen in de opvang. De aangevoerde problemen en het AIDA-rapport boden hiervoor onvoldoende grond. Klachten over de opvang kunnen bij Oostenrijkse autoriteiten worden ingediend. De rechtbank volgde de jurisprudentie dat indirect refoulement binnen de Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden.

Ook vond de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder hoefde de aanvraag niet in behandeling te nemen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en eiser is overgedragen aan Oostenrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20548

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL25.20549, op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt van Indiase nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft op 14 april 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 14 april 2025 bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Oostenrijk heeft dit verzoek, na een verzoek tot heroverweging, aanvaard op 30 april 2025 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Op 14 mei 2025 is eiser overgedragen aan de Oostenrijkse autoriteiten.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Oostenrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zo blijkt uit het AIDA-rapport van juni 2024 (update 2023) dat er dermate grote problemen zijn in de opvang in Oostenrijk, dat eiser bij overdracht aan Oostenrijk hoogstwaarschijnlijk van opvang verstoken zal blijven en op straat zonder voorzieningen zal moeten (over)leven. Klagen over de situatie in Oostenrijk is in de praktijk voor eiser bij terugkeer ook niet mogelijk. Gelet op wat eiser eerder in Oostenrijk heeft meegemaakt, kan van hem niet gevergd worden dat hij terugkeert naar Oostenrijk. Hij is met een mes in zijn armen gestoken en is bedreigd en hij heeft hiervoor vanuit de opvang geen (medische) hulp ontvangen. Ook wist hij niet hoe hij aangifte kon doen. Eiser voert verder aan dat hij vanuit Oostenrijk teruggestuurd zal worden naar zijn land van herkomst, waar hij een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. Tot slot voert eiser aan dat verweerder op humanitaire gronden de asielaanvraag van eiser in behandeling had moeten nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Dit is ten aanzien van Oostenrijk bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 24 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4303).
4.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Oostenrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Oostenrijkse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
4.3.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten dat eiser bij overdracht aan Oostenrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Oostenrijkse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Eisers stellingen over de opvang in Oostenrijk en zijn verwijzing in dit verband naar het AIDA-rapport van juni 2024 zijn daarvoor onvoldoende. De Afdeling heeft in de al genoemde uitspraak van 24 oktober 2024 het AIDA-rapport over Oostenrijk, update 2023, namelijk al betrokken en geoordeeld dat het rapport geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers schetst dan al naar voren is gekomen in eerdere rapportages van AIDA over Oostenrijk. Indien eiser in Oostenrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Oostenrijkse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten voor eiser niet kan of bij voorbaat zinloos is. Eiser heeft met zijn verklaringen over wat hij persoonlijk in Oostenrijk heeft meegemaakt, evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Oostenrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Oostenrijkse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Verweerder heeft terecht overwogen dat gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag worden gegaan dat eiser in Oostenrijk bescherming kan krijgen bij eventuele problemen. Ook mag ervan uitgegaan worden dat eiser daar een beroep kan doen op medisch noodzakelijke zorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Oostenrijkse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. De enkele stelling dat eiser hij niet wist hoe hij aangifte moest doen en dat hij geen (medische) hulp kreeg in de opvanglocatie is daartoe onvoldoende. Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst, India, een reëel risico loopt op refoulement, overweegt de rechtbank dat de Afdeling, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, in de uitspraak van 12 juni 2024 (onder 6.1), ECLI:NL:RVS:2024:2359, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet kan worden beoordeeld of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Zoals volgt uit het voorgaande, gaat verweerder ten aanzien van Oostenrijk terecht uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De vraag of indirect refoulement aannemelijk is, ligt dan ook niet ter beoordeling voor. Met het claimakkoord garanderen de Oostenrijkse autoriteiten bovendien dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Indien eiser meent dat Oostenrijk zich daarbij niet zal houden aan de internationale verplichtingen, ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de desbetreffende (desnoods hogere) autoriteiten in Oostenrijk. Niet gebleken is dat klagen in Oostenrijk voor eiser niet kan of bij voorbaat zinloos is.
4.4.
Voor zover eiser aanvoert dat overdracht aan Oostenrijk onevenredig hard is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft hoeven zien die maken dat eisers overdracht aan Oostenrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Eisers heeft zijn stelling dat verweerder om humanitaire redenen een uitzondering had moeten maken op de Dublinverordening, niet geconcretiseerd of onderbouwd. Gelet daarop heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje, van de Vc in behandeling te nemen.
5. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.