Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
€ 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent);
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn moeder en zus. De rechtbank heeft het verzoek om griffierechtvrijstelling wegens betalingsonmacht toegekend.
De aanvraag is op 15 augustus 2024 ingediend en de beslistermijn van 90 dagen, met een verlenging van drie maanden, is verstreken zonder besluit. Eiser stelde de minister op 17 februari 2025 rechtsgeldig in gebreke en diende het beroep tijdig in op 7 maart 2025. Verweerder hanteert het fifo-principe waardoor de aanvraag pas in november 2026 in behandeling zou worden genomen.
De rechtbank oordeelt dat het fifo-principe geen reden is om het beroep aan te houden of een ruimere beslistermijn toe te passen dan de door de Afdeling bestuursrechtspraak vastgestelde termijnen. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 en veroordeelt de minister tot betaling van reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 en proceskosten van €453,50. Hiermee wordt de rechtsbescherming bij niet tijdige besluitvorming gewaarborgd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.