ECLI:NL:RBDHA:2025:12094
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en weigering niet-tijdelijke humanitaire vergunning na mensenhandelmelding
Eiseres, afkomstig uit Oeganda, kreeg een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden na aangifte van mensenhandel. De minister trok deze vergunning met terugwerkende kracht in nadat het strafrechtelijk onderzoek werd beëindigd en weigerde een niet-tijdelijke humanitaire vergunning te verlenen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas.
Eiseres voerde aan dat de minister een te hoge bewijsdrempel hanteerde door te vertrouwen op de EU-Vis registratie en onvoldoende onderzoek te doen naar haar identiteit en de omstandigheden van haar mensenhandelverhaal. Tevens stelde zij dat de minister de hoorplicht had geschonden door haar niet te horen in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitging van de juistheid van de EU-Vis registratie en dat eiseres onvoldoende concrete en gedetailleerde verklaringen had gegeven om haar relaas aannemelijk te maken. De rechtbank vond dat de minister voldoende onderzoek had verricht en dat het niet aannemelijk was dat het visum vals was. Ook was de minister niet verplicht het asielrelaas in deze procedure te beoordelen.
Verder concludeerde de rechtbank dat het verzoek om een hoorzitting niet voldoende was onderbouwd en dat het horen van eiseres geen invloed zou hebben op het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en weigering van een niet-tijdelijke humanitaire vergunning wordt ongegrond verklaard.