Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
Procesverloop
:
Overwegingen
in beginselgelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van de registratie van de persoonsgegevens van eiser door Portugal mag uitgaan. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het aan eiser is om deze registratie te weerleggen en dat eiser hierin niet is geslaagd.
énin staat zijn om een derde visa en onderliggende documenten te laten aanvragen en vervaardigen en daar in de praktijk ook in slagen. De lidstaten hebben een juridische en morele verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor slachtoffers van mensenhandel. Dit betekent ook, naar het oordeel van de rechtbank, dat verweerder zijn ogen niet moet sluiten voor de psychische problematiek van eiser en zijn broer en de langdurige opname en behandeling voor deze problemen die, naar zij zeggen, verband houden met mensenhandel. Verweerder dient zich hiervan rekenschap te geven bij de beoordeling van de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in plaats van onverkort en zonder meer vast te houden aan de EU-Vis- registratie en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder had in de onderhavige procedure dus niet kunnen volstaan met “uitgaan van de EU-Vis-registratie en dit blijven doen tenzij…” maar had moeten beoordelen of de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit en de visumverkrijging geloofwaardig kunnen worden geacht. Verweerder dient maatwerk te leveren, ook als het gaat om het beoordelen van de geloofwaardigheid van verklaringen over identiteit, nationaliteit en herkomst en zal ook bij het uitgaan van visumverlening door andere lidstaten zelf kritisch moeten nagaan of er getwijfeld moet worden aan de persoonsgegevens zoals die door de andere lidstaat zijn geregistreerd. In dat geval dient te worden berust in de omstandigheid dat de andere lidstaat niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen en dient de vreemdeling te worden gevolgd in zijn afgelegde verklaringen.
voor eiseradequaat, beschikbaar en toegankelijk waren. Indien niet langer houdbaar is dat verweerder van de EU-Vis-registratie mag uitgaan en verweerder daarom uitgaat van de door eiser gestelde geboortedatum 16 oktober 2019, heeft te gelden dat eiser ten tijde van zijn aanvraag een niet begeleide minderjarige vreemdeling was. Verweerder heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de gestelde biologische band tussen eiser en zijn broer, die ook gedurende meerdere jaren na gelijktijdige inreis in Nederland is opgenomen en behandeld bij Fier, niet was onderbouwd. Pas nadat eiser en zijn broer zelf een DNA-onderzoek hebben laten verrichten en uit de resultaten van dit onderzoek onmiskenbaar volgt dat sprake is van een biologische relatie en zij broers zijn, heeft verweerder zijn eenvoudige en niet onderbouwde betwisting van deze verklaring prijsgegeven. Verweerder heeft ten tijde van de aanvraag niet beoordeeld of in Congo adequate opvang wordt geboden aan niet-begeleide minderjarigen. Ten tijde van het onderzoek ter zitting is het beroep dat de broer tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag aanhangig heeft gemaakt nog aanhangig bij deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. De rechtbank kan niet vooruitlopen op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en weet dus niet of de afwijzing van de asielaanvraag van de broer van eiser in rechte stand houdt. Indien verweerder in zijn nieuw te nemen besluit uitgaat van de door eiser afgelegde verklaringen over zijn leeftijd, zal verweerder ook moeten nagaan of eiser ten tijde van zijn asielaanvraag als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling had moeten worden beschouwd. Ook als eiser gedurende de procedure meerderjarig zou zijn geworden, moet verweerder nagaan of eiser bij de afwijzing van zijn asielaanvraag in aanmerking had moeten worden gebracht voor een reguliere verblijfsvergunning als niet-begeleide minderjarige vreemdeling als er geen sprake was van adequate opvang. In dat geval zal verweerder ook moeten nagaan of eiser in aanmerking moet worden gebracht voor voortgezet verblijf na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. De rechtbank wijst verweerder er op dat thans in het landenbeleid is opgenomen dat er adequate opvang beschikbaar is in Congo. Eiser heeft echter op 17 februari 2024 een kopie van het Besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 31 januari 2022,
53 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het aan de administratieve autoriteit die in het kader van een procedure die niet met een verzoek om internationale bescherming is ingeleid, een aanvraag voor een door het nationale recht geregelde verblijfsvergunning afwijst en bijgevolg vaststelt dat de derdelander die deze aanvraag heeft ingediend illegaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft, de verplichting oplegt om geen terugkeerbesluit jegens die derdelander uit te vaardigen zonder eerst te hebben beoordeeld of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd.
54 Zoals de verwijzende rechter uitdrukkelijk erkent, heeft deze vraag „betrekking [...] op de situatie dat niet eerder een terugkeerbesluit is genomen”. Aangezien in het hoofdgeding ten aanzien van verzoekers in het hoofdgeding het besluit van 9 augustus 2012 is vastgesteld, is die vraag hypothetisch en wordt het Hof daarmee verzocht een advies te formuleren, hetgeen in strijd is met zijn taak in het kader van de bij artikel 267 VWEU Pro ingestelde rechterlijke samenwerking (zie in die zin arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 18, en 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C‑160/20, EU:C:2022:101, punt 84).
55 Bijgevolg is de tweede vraag niet-ontvankelijk.
het opleggen van een terugkeerbesluitte onderzoeken (óók) gehouden is om ambtshalve op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de mogelijke uitvoering van dit besluit. De rechtbank kan het antwoord op deze vraag namelijk afleiden uit de nadere precisering die Hof heeft gegeven in de situatie dat eerder een terugkeerbesluit is opgelegd en de opschorting van de uitvoering van een eerder in het kader van een internationale beschermingsprocedure genomen terugkeerbesluit wordt beëindigd. De rechtbank is dus verplicht om te allen tijde het refoulementverbod te eerbiedigen indien de rechtbank de rechtmatigheid van de oplegging of de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit controleert. Dit betekent dat de rechtbank verplicht is om aspecten van het besluit die het refoulementrisico regarderen en waar niet uitdrukkelijk een beroep op is gedaan door eiser, ambtshalve en op tegenspraak aan de orde te stellen.
55 Ten tweede verplicht artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, dat een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, de bevoegde nationale autoriteit om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van Pro het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van Pro het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, alsmede in artikel 19, lid 2, van het Handvest. Dit geldt met name wanneer die autoriteit, na de betrokkene te hebben gehoord, voornemens is jegens hem een terugkeerbesluit vast te stellen, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken), C‑808/18, EU:C:2020:1029, punt 250 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
56 Bijgevolg verzet artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 zich ertegen dat jegens een derdelander een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd wanneer dat besluit een land van bestemming aanwijst ten aanzien waarvan er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die derdelander daar in geval van uitvoering van dat besluit zou worden blootgesteld aan een reëel risico van behandelingen in strijd met artikel 18 of Pro artikel 19, lid 2, van het Handvest.
63 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat artikel 3 EVRM Pro zich verzet tegen de verwijdering van een ernstig zieke persoon die het risico loopt om in de zeer nabije toekomst te sterven of wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon, ook al loopt hij niet het risico om in de zeer nabije toekomst te sterven, wordt blootgesteld aan een reëel risico van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand die voor intense pijn zou zorgen of van een significante daling van zijn levensverwachting, omdat hij in het land waarnaar hij wordt verwijderd geen adequate behandeling of geen toegang tot een dergelijke behandeling zou krijgen [zie in die zin arrest Paposhvili, §§ 178 en 183, en arrest van 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 40].
64 Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het EHRM dat het arrest Paposhvili een norm stelt die naar behoren rekening houdt met alle voor de toepassing van artikel 3 EVRM Pro relevante overwegingen, in die zin dat daarin het algemene recht van staten om toezicht te houden op de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen onverlet laat, maar tegelijkertijd de absolute aard van dat artikel wordt erkend (EHRM, 7 december 2021, Savran tegen Denemarken, CE:ECHR:2021:1207JUD005746715, § 133).
65 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de voor de toepassing van artikel 4 van Pro het Handvest benodigde ernst gelijk is aan de krachtens artikel 3 EVRM Pro in dezelfde omstandigheden vereiste minimale ernst [arresten van 16 februari 2017, C. K. e.a., C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 67, en 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 37].
66 Uit de punten 52 tot en met 65 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is.
4. De vreemdeling heeft een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen vier weken na heden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van schadevergoeding aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.625,-.