Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van zes maanden is overschreden en dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de beslistermijn met negen maanden verlengd zou zijn. Hierdoor ontbreekt de rechtsgrond voor verlenging en is het beroep gegrond verklaard.
De rechtbank stelt een nieuwe termijn van twee weken vast waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen. Bij overschrijding van deze termijn wordt een rechterlijke dwangsom van € 200 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en bevat een uitgebreide motivering over de toepasselijkheid van de Vreemdelingenwet 2000, de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, en de toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen. De rechtbank benadrukt dat de zaak van licht gewicht is en dat een hogere dwangsom wordt opgelegd vanwege eerdere overschrijding van termijnen door verweerder.