Eiser diende op 18 oktober 2023 een asielaanvraag in. Verweerder had de beslistermijn verlengd met negen maanden op grond van het Besluit WBV 2023/3, vanwege een vermeende situatie van een aanzienlijke toename van asielaanvragen. De rechtbank oordeelde echter dat de motivering voor deze verlenging onvoldoende was, mede gelet op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025, waarin werd gesteld dat een geleidelijke toename over een lange periode geen grond is voor verlenging.
Hierdoor was de wettelijke beslistermijn van zes maanden op het moment van ingebrekestelling verstreken en was het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit kennelijk gegrond. De rechtbank stelde een redelijke beslistermijn vast tot uiterlijk 18 juli 2025, waarbij rekening werd gehouden met zowel het belang van verweerder om zorgvuldig te beslissen als het belang van eiser op een spoedige beslissing.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van € 100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 12 juni 2025.