ECLI:NL:RBDHA:2025:1221
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen niet tijdig besluit op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor drie personen. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het verzoek om griffierechtvrijstelling wegens betalingsonmacht definitief toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 13 oktober 2023 en verweerder had uiterlijk 11 april 2024 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde verweerder op 18 april 2024 rechtsgeldig in gebreke en diende op 18 juli 2024 het beroep in, wat tijdig was. De rechtbank acht het beroep kennelijk gegrond.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bijzonder geval bij aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning, waardoor een langere beslistermijn dan twee weken gerechtvaardigd is. Verweerder dient binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, tenzij nader onderzoek wordt aangekondigd, dan is de termijn twintig weken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 en stelt vast dat verweerder reeds €1.442 aan dwangsommen heeft verbeurd. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €453,50 aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het niet tijdig genomen besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met oplegging van dwangsommen en proceskosten.