ECLI:NL:RBDHA:2025:12325
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens bescherming in andere EU-lidstaat bevestigd
Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar de minister heeft deze niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij in Spanje internationale bescherming geniet. Eiseres betoogde dat de Spaanse bescherming onvoldoende is vanwege persoonlijke bedreigingen en traumatische ervaringen, en dat het belang van haar kind niet is meegewogen.
De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de Spaanse autoriteiten haar onvoldoende bescherming bieden of dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest.
De rechtbank stelde vast dat eiseres nog niet alle mogelijkheden in Spanje heeft benut en dat de Spaanse autoriteiten haar aangiftes serieus hebben genomen. Ook het belang van het kind werd voldoende meegewogen, waarbij de rechtbank oordeelde dat de situatie van moeder en kind onlosmakelijk verbonden is en dat er geen noodzaak is voor een asielprocedure in Nederland.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de minister het voordeel van de twijfel niet had hoeven gunnen omdat de aanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring blijft in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.